Dichter bij de preek – het poëtische gehalte van de prediking

logo-idW-oud

 

DICHTER BIJ DE PREEK – HET POËTISCH GEHALTE VAN DE PREDIKING

In november 2007 schreef Maarten den Dulk voor dit blad een lovende impressie van de dissertatie van Kees Bregman, ‘De stem uit de oneindigheid. Over de talige vormgeving van preken in het licht van poëzie en poëtica van Martinus Nijhoff’ (IdW no. 15, 2007, 23-25). In het verlengde daarvan volgt nu dit IdW-katern met uitwerking van enkele thema’s uit deze dissertatie. Als uitgangspunt voor zijn studie richt Bregman zich op de vorm van de preek en op de constructie ervan, het schrijfproces. De dominee gaat daarvoor in de leer bij de dichter. Mijn bijdrage richt zich op de andere kant van het preekproces: bij de ontvangst van de prediking, het luisterproces.

Eerst Bregman: zijn boek is een weldaad om te lezen, het vormt als zodanig een pleidooi tegen dat wat ons iedere dag teistert, namelijk een naar onverschilligheid neigend, grofstoffelijk en soms zelfs gewelddadig taal- en beeldgebruik. Bregman toont een andere omgang met de taal en roept daarmee de beelden op. Hij nodigt de prediker uit om het materiaal dat ter beschikking staat, de taal van bijbel en traditie, zorgvuldig af te wegen en om te smeden tot een fijnzinnige, doordachte preekvorm. Wie het boek van Bregman leest, wordt haast ongemerkt in deze taalvorm ingewijd, zo’n invloed heeft zijn verzorgde en doordachte schrijfstijl.

Naast de gangbare vormen van de preek als betoog en de preek als verhaal, wijst Bregman aan de prediker een derde weg: die van de preek als gedicht. Een weg die, zo suggereert Bregman, ‘nog veel verder omhoog voert’. Want in de preek als betoog of in de preek als verhaal, is de taal van de preek vooral instrumenteel van aard: om de hoorders te informeren, te overtuigen of om hen uit te nodigen om zich in te leven in de karakters van het verhaal. In de preek als gedicht daarentegen speelt de taal een andere rol: door haar min of meer autonome karakter overstijgt poëtische taal het niveau van het materiële en schept aldus een verbinding tussen de reële werkelijkheid en de geestelijke werkelijkheid. Het leggen van deze verbinding is precies wat het doel is van de prediking. Preektaal zal daarom niet toevallig zijn. Door een zorgvuldige opbouw van woorden om de witregels heen en door de innerlijke dynamiek van de woorden, in het zinsverband waarin ze gesteld zijn, ontstaat volgens Bregman maximale ruimte voor de hoorder om te komen tot een persoonlijke toe-eigening. Bovendien ontvangt niet alleen de hoorder deze ruimte: Bregman veronderstelt dat juist de transcenderende taal van het gedicht bij uitstek ruimte schept en plaats maakt voor de Stem van de Oneindige. De preek zal zich, eenmaal opgeschreven, verzelfstandigen van de prediker. Daardoor kan de prediker zelf eveneens opnieuw verrast kan worden door het Woord van God in de woorden van de preek.

Uit de argumentatie van Bregman blijkt hoeveel vertrouwen hij heeft in het medium taal: ‘wie gelooft in het Woord moet de taal laten uitspreken’ (71). Het is hetzelfde vertrouwen waarmee een dichter de woorden hun werk laat doen zodat ze uiteindelijk betekenis krijgen voor de lezer of de luisteraar. Eveneens een grote autonomie kent Bregman toe aan de hoorders: zij zullen uiteindelijk zelf zich laten raken door het Woord, in meer of mindere mate. Homiletisch gezien lijkt Bregman hierin aan te sluiten bij postmoderne trends, waarin het niet zozeer de prediker is die de boodschap van de bijbeltekst vormgeeft in de preek en vervolgens met overtuiging overdraagt, maar waar de hoorder maximaal in de gelegenheid wordt gesteld om een eigen interpretatie ten opzichte van de teksten te ontwikkelen. Om het in bekende schema’s te plaatsen: dan is de prediker eerder facilitator van ervaring dan verkondiger van openbaring. Toch kiest Bregman juist op dit punt een eigen en paradoxale koers. Hij vertrouwt erop dat het medium van de taal zelf betekenis schept, maar realiseert zich tevens dat zelfs taal ten diepste ontoereikend blijft om stem te geven aan het spreken van God. De taal die echter nog het meest aanspraak kan maken op een creatief-transcenderende, transformerende en dus werking-van-Godswege is voor hem echter zonder meer de lyrische taal.

Om iets zinnigs te kunnen zeggen over de menselijke kant van het luisteren, ofwel de ervaring van de prediking, sluit Bregman aan bij de ‘esthetische wending’ in de 90er jaren, waarbij theologen leerden dat religieuze waarneming wellicht beter te vergelijken is met de esthetische waarneming dan met een reductionistische rationele waarneming. Bij Bregman is de kunsttheoretische benadering en bijbehorende nadruk op ervaring echter geen weg waarbij openbaring buitengesloten wordt. Integendeel zelfs, want in de kunsttheorieën claimt men immers een ruimte voor het ‘tegoed’ van het kunstwerk zelf, de lege plaats op het schilderij, de hapering in de tekst, de witregel in het gedicht en jawel, in het verlengde daarvan voor het Anders-zijn van God. Juist de plaatsen van openheid, ontregeling en witregels blijken van cruciaal belang te zijn voor een waarneming waarbij mensen op een nieuw spoor gezet worden, zelf aan het denken gaan of een verrassend of confronterend inzicht opdoen. Zie daar precies wat de prediking beoogt: ruimte scheppen voor het ‘verborgen midden’ van Gods Woord.

Al met al een uitdagende theorie. Daarom roept het spanning op. De prediker ontkomt er immers niet aan om zoveel mogelijk te ‘regisseren’, maar dat staat op gespannen voet met de autonomie van het transcendente die juist daardoor ontstaat. Het betekent dat de prediker voorwaardenscheppend bezig is. Met een goudschaaltje waarop, in een poëtische vormgeving van de preek, elk woord wordt afgewogen. Maar wat is de maat waarmee gewogen wordt? In elk geval niet de esthetica alleen. Bregman verzet zich tegen de naïeve romantiek die denkt dat schoonheid het enige criterium is waarop poëzie beoordeeld kan worden. Bregman zou eerder de dynamiek van ‘verbinding’ als criterium noemen, lijkt me. In het spoor van Nijhoff wil hij de taal dienstbaar laten zijn aan het leggen van verbindingen tussen het immanente en het transcendente, maar ook aan verbindingen tussen mensen onderling. Zo verschaft de preek aan mensen taal om hun ervaringen te communiceren en met God te (laten) verbinden.

Dit punt lijkt mij de moeite van nader onderzoek waard. Want wat zijn de voorwaarden waaronder taal verbindend kan werken en op die manier als het ware gelijkenissen wakker roept? Bregman is optimistisch, in het spoor van Nijhoff stelt hij dat de poëtische taal een verbindende rol kan spelen omdat zij meerlagig is qua taal en betekenis. Ik stem daar van harte mee in, maar ben wat sceptischer over de mogelijkheid van een poëtische verbinding waar het gaat om werelden die mijlenver uiteen liggen. Juist in de homiletiek is de laatste jaren veel aandacht voor de problematiek van de plurale gemeente. Misschien had Bregman hier duidelijker kunnen differentiëren in het type poëzie dat hij voor ogen heeft om ook de verschillen in type hoorders meer recht te doen. Een sterk rationeel ingesteld mens zal immers anders luisteren dan iemand met een voorkeur voor een gevoelsgerichte benadering. Een gedicht van Nijhoff is iets anders dan een rap van Lange Frans, beide taaluitingen zijn poëtisch te noemen maar behoren tot volkomen verschillende taalvelden. Wanneer ik Surinaamse, Marrokkaanse en autochtone Hollandse jongeren in de metro een soort amalgaam van talen hoor spreken, hoor ik enerzijds vier talen en anderzijds een verbinding. Nijhoff probeerde in zijn tijd, aansluiting te vinden bij de volkstaal en die tegelijkertijd te verbinden met een meer transcenderend niveau. De psalmen die hij berijmd heeft zijn daar treffende voorbeelden van (ps. 23 bijvoorbeeld.). Mijn vraag is echter of de verschillen in taal waar Nijhoff in zijn tijd en context mee te maken had, nog enigszins vergelijkbaar zijn met onze context. Of zijn, in weerwil van alle globaliserende tendensen, de contextuele verschillen in de maatschappelijke en kerkelijke kring alleen maar groter geworden? Wanneer we denken aan het gebied waar de poëzie bij uitstek een rol speelt, namelijk op het terrein van het kerklied, zien we een wereld van variatie tussen Liedboek, Oosterhuis en Opwekking, om maar eens iets te noemen. Elk van de liedsoorten bindt de eigen groep, maar vindt nauwelijks verbinding met andere groepen. Dat ligt niet alleen aan theologisch verschillende uitgangspunten, maar ook aan verschillende taalvelden. Kortom, juist op dit punt zou onderzoek naar de werkelijke receptie van poëtische prediking in relatie tot de gelaagdheid van haar doelgroepen van belang zijn. Nog iets vraagt daarbij aandacht en dat is de mate van concreetheid van het taalgebruik. In onze tijd vragen steeds meer mensen enerzijds om een zo concreet mogelijke preek, liefst in de vorm van aanwijzingen voor het dagelijks leven. Wanneer de concreetheid echter dogmatisch dichtgemetseld wordt, kan niemand meer ademen en gaat het mensen gauw benauwen. De roep om concreetheid qua beleven en belijden enerzijds en de Multi –interpretabele meerduidigheid van poëtische taal anderzijds zijn voor mij twee polen die elkaar dreigen uit te sluiten. Hier wreekt zich naar mijn besef dat Bregman niet echt ingaat op de concrete context van de hedendaagse prediking. Dat maakt dat zijn betoog, ondanks de aansluiting bij Nijhoff en diens intenties, niet overal even goed ‘geaard’ is.

Tegen het einde van het boek signaleert Bregman dat er meestal meerdere dimensies in een preek zitten. Een betogende preek kan heel goed een verhalend en een poëtisch moment bevatten, evenals in een verhalende preek een betogend of poëtisch moment niet misstaat (293vv). Met deze stellingname zet Bregman zijn benadering naar mijn gevoel steviger met beide benen op de grond. Ik houd eraan over dat een poëtische benadering van de preek een verrijkende en wellicht zelfs onontbeerlijke dimensie geeft aan de preekvoorbereiding en de prediking zelf, juist om de Allerhoogste ter sprake te laten komen. Maar daarnaast zal de prediker zich willen blijven verbazen over allerlei wonderlijke talen die zomaar iets van de Pinkstergeest met zich meedragen.

Ciska Stark