‘… want ze waren bang.’ (Markus 16:8)

logoIdW

Meditatie

Is dit een einde? Een einde van een boek, van een evangelie? Kan dat eindigen met angst die twee vrouwen bevangen heeft, zodat zij de opwekking van Jezus verzwijgen? Er is eindeloos veel over geschreven.

Waarom zou het niet kunnen? Voor mij spreekt de grootheid en de geloofwaardigheid juist uit dit soort ongehoorde wendingen, waartegen het vermeende gezond verstand graag protesteert. Ik ben de tekstkritiek dankbaar voor rechte haken of voetnoten. En ik dank de Heilige Geest voor vier evangeliën, en de kerk dat ze het niet gewaagd heeft die te harmoniseren.

Bij Markus geen verschijning van Jezus, alleen een verdwijning. Er is een jongeling, en het woord dat hij brengt. En er is angst. Dat is het. Dat is het einde. En tegelijkertijd niet.

Die angst slaat met stomheid en toch is het geweldig sprekend einde. De geruststellende woorden van die jongen horen we graag, al te graag, als kern van het evangelie. Niet bang zijn! Maar misschien wil het einde van dit evangelie ons eerst ten minste een interval van angst en ontzag aanzeggen. Geen terugval in de alledaagse angsten voor alles wat het leven benauwd en bedreigd. Het heeft iets van hoogtevrees, een duizeling die je bevangt boven een diepte, een moment van vrije val, zoals in halfslaap, een schok, een schrikreflex.

Het is een eigen vorm van vrees die voorafgaat aan geloven en vertrouwen, tot je bemerkt opeens van die eerdere angsten losgemaakt te zijn. Er is die diepte, maar je valt niet. Het is de vrees van de ontdekking dat deze wereld in Zijn hand is. Dat te ontdekken in zijn doen, heden! De vrouwen stuiten erop, ze nemen het waar, maar het horen en zien vergaat ze. Het gaat te snel om te geloven, te vertrouwen.

Die vrees hoort erbij. Ze was er eerder telkens weer wanneer de grootheid van Jezus bleek. Daarom hoort ze ook bij een geloofwaardig einde van het evangelie. Als het goed is, vervangt het geloof de vrees ook niet, ze verdwijnt of verdampt niet, maar gaat als het ware op in het vertrouwen. Als een innerlijke spankracht, een grootheid die van binnen tegen de grenzen van het geloof blijft aanduwen. Ze wordt omgezet in verwondering, om de onvanzelfsprekendheid niets meer te vrezen te hebben. Die is wezenlijk voor geloof, maar ook zomaar verdwenen.

Dat het evangelie er is en wordt doorverteld, maakt duidelijk dat het bij vrees en beven niet is gebleven. Maar het ‘eindigt’ er met goede reden mee.

Coen Constandse

In de Waagschaal, jaargang 50, nr. 4. 3 april 2021