Verloren moederland, vlucht en ballingschap in de poëzie van Paul Celan 

logoIdW

 

‘…obgleich ich mich keineswegs erinnere, jemals aus Ägypten ausgezogen zu sein…’[1]

De straten van het vooroorlogse Czernowitz, ook die waarin Celan met zijn ouders woonde, waren omzoomd met kastanjebomen. Wie onbevangen aan Celans werk begint is daarom misschien geneigd de beroemde openingszin “Erst jenseits der Kastanien ist die Welt.” romantisch te lezen. Poëzie vindt nu eenmaal haar oorsprong met wat in het Duits; ‘Sehnsucht, Fernweh’ heet; het verlangen naar een leven ‘Drüben’. “Het verlangen naar een land waar we geenszins geboren zijn”, zoals Levinas het in de openingsparagraaf van zijn hoofdwerk verwoordt.[2]

Celans ‘Drüben’ is voor hem aanvankelijk: weg van zijn provinciale geboortestad, uit het verstikkende vrome Joodse leven van zijn autoritaire vader en het toenemend Roemeens en Russisch antisemitisme. “Den Wind hör ich in vielen Nächten wiederkehren: / ‘Bei mir flammt Ferne, bei dir ist es eng…“ Maar als Celan het gedicht schrijft is het jenseits al geen onschuldig woord van dichterlijk verlangen meer. Voorbij de kastanjebomen van het Habsburgse Czernowitz begint de Welt waarin de verwoesting zich aandient. Als hij het gedicht als opening van zijn debuut uitkiest, heeft de catastrofe zich voltrokken en rest Celan een levenslange ballingschap.

Celans debuut Der Sand aus den Urnen (SU) verschijnt in 1948; zijn tweede bundel Mohn und Gedächtnis (MG) in 1952. Langs de gedichten volgen we Celans tocht van de ‘Kastanien’ in Czernowitz via Bukarest en zijn moeders droomstad Wenen tot zijn uiteindelijke ‘ballingschap’ in Parijs waar hij dicht: “Ich bin allein, ich stell die Aschenblume / ins Glas voll reifer Schwärze…” De thema’s ‘verloren moederland, vlucht en ballingschap’ vallen samen met Celans persoonlijke gang, maar in de universele kracht van zijn taal en beelden zijn het veel meer dan persoonlijke getuigenissen.

Verloren moederland, vlucht en ballingschap

Voor zijn debuut acht Celan uiteindelijk maar acht van zijn ‘Czernowitz’- gedichten geschikt.[3] Uit het ‘restant’ van zijn jonge dichterschap spreekt enerzijds nog iets van de ongeschonden wereld van de romantische twintiger: “Der Flieder, einsam vor dem Duft der Zeit/ sucht triefend nach den beiden, die umschlungen/ vom offnen Fenster in den Garten sahn.” Anderzijds voel je aan alles de ‘Nähe der Gräber’; De titel van het tiende gedicht, waarmee de catastrofe zijn intrede doet: “Kennt noch das Wasser des südlichen Bug, / Mutter, die Welle, die Wunden der schlug?” Aan de Bug, een rivier in de huidige Oekraïne, ligt het concentratiekamp, waar Celans moeder met een nekschot wordt vermoord. Het gedicht schrijft Celan als hij uit het werkkamp is teruggekeerd in het lege Czernowitz. Zijn moeder blijft aanwezig in de gedichten die hierna volgen. Soms expliciet, vaker nog als aangesprokene: “Missest du den Himmel mit den Vogelzügen?/ Laß den Stein die Wolke, mich den Kranich sein.” dicht hij voor hij zijn geboortestad voorgoed verlaat. Hij zal Czernowitz nooit meer terugzien.

Boekarest bruist van nieuw naoorlogs optimisme. Er moet gebouwd worden en het rauwe Stalinisme laat nog even op zich wachten. Onder druk van het anti-Joodse, anti-Duitse sentiment in de door het Rode Leger bezette Roemeense hoofdstad verroemeniseert Celan die als vertaler werkt, zijn familienaam Antschel tot Ancel, later Celan. “Ins Dunkel getaucht sind die Kirschen der Liebe.” Rijmende poëzie schrijft hij vanaf nu niet meer. Maar het Stalinisme verhardt; de avant garde wordt steeds meer buiten de orde geplaatst. Duitstaligen, Joden en Roemeense Saksen worden vervolgd. Als statenloos burger vlucht Celan naar Wenen; “Die bleiben und winken, wissen es nicht.“ In Wenen, de stad die hem alleen al door de architectuur ongetwijfeld aan zijn geboorte stad herinnert, dicht hij Corona, het gedicht waar Ingeborg Bachmann een jaar later over schrijft “(…) Corona ist dein schönstes Gedicht, es ist die vollkommene Vorwegnahme eines Augenblicks, wo alles Marmor wird und für immer ist…“[4]

CORONA

Aus der Hand frißt der Herbst mir sein Blatt: wir sind Freunde.

Wir schälen die Zeit aus den Nüssen und lehren sie gehn:

die Zeit kehrt zurück in die Schale.

Im Spiegel ist Sonntag,

im Traum wird geschlafen,

der Mund redet wahr.

Mein Aug steigt hinab zum Geslecht der Geliebten:

wir sehen uns an,

wir sagen uns Dunkles,

wir lieben einander wie Mohn und Gedächtnis,

wir schlafen wie Wein in den Muscheln,

wie das Meer im Blutstrahl des Mondes.

Wir stehen umschlungen im Fenster, sie sehen uns zu von der Straße:

es ist Zeit, daß man weiß!

Es ist Zeit, daß der Stein sich zu blühen bequemt,

daß der Unrast ein Herz schlägt.

Es ist Zeit, daß es Zeit wird.

Es ist Zeit.

Het gedicht begint als het ware met een rust van een sonore uitgerekte toon; Corona is het Italiaans voor de fermate, het uitklinken van het voorgaande – als de ‘פ‘ in de Tenach. Rust spreekt ook uit het beeld van de spiegel, de slaap, de droom, maar de werkelijkheid hangt vanaf de eerste regel dreigend in het gedicht. Het is herfst, het jaargetijde waarin in 1941 de catastrofe begint. “Der mund redet wahr.“; “wir sagen uns Dunkles.“ Er is liefde, “wir sehen uns an“; “lieben einander“ en “stehen umschlungen im Fenster.“ Maar de omarming is niet meer onschuldig als in Czernowitz (“Schlief er nicht süß über uns und wir waren umschlungen“) Er is geen uitzicht op een tuin met seringen, maar “Sie sehen uns zu“ vanaf de straat. Uit een eerder gedicht bij het venster weten we wat er zich daar afspeelt: “umsonst malst du Herzen ans Fenster/ der Herzog der Stille/ wirbt unten im Schloßhof Soldaten.“

Es ist Zeit; om te weten, te kennen te geven. Es ist Zeit om te spreken. Niet alleen in de liefde, maar ook in de gedichten. Een eerste editie van Der Sand aus den Urnen verschijnt ten tijde van dit gedicht. Celan verkoopt er drie.

Todesfuge

Es ist Zeit: voor Todesfuge. Celans grote gedicht over de Shoah dat in Mohn und Gedächtnis, op Corona volgt. Verscheen het eerder onopgemerkt in het Roemeens, ook in het Duits wordt het aanvankelijk amper opgemerkt. Als Celan het in 1949 op voorspraak van Ingeborg Bachmann voor de nieuwe naoorlogse generatie kritische Duitse schrijvers van Gruppe 47 voorleest wordt hij weggelachen (“Er redet wie Goebbels; Synagogale Sing-sang”); vanaf de jaren vijftig behoort dit gedicht tot het grootste in het Duitse taalgebied.

Es ist Zeit: Ook om te gaan. Weg uit Wenen, de nog door Russen bezette, gewezen nazi-stad. Naar Parijs. Het eerste gedicht aldaar titelt Celan in Ägypten en draagt hij op aan Ingeborg Bachmann. De overgeleverde correspondentie getuigt van de moeizame relatie tussen deze dochter van een Oostenrijkse nazi en de stateloze Joodse vluchteling; “Menschen (…) im Schweren beheimatet.” ‘Egypte’ zal het blijven; Parijs zal voor Celan nooit een thuis worden. Hij trouwt, krijgt een zoon, schrijft bundels met gedichten die tot de hoogtepunten van de Duitse poëzie behoren, maar hij wordt ook meer en meer geplaagd door de spoken van het antisemitisme die hij overal, terecht en soms ook onterecht, ziet opdoemen. Hij vervreemdt van de literaire wereld. In 1962/63 volgt de eerste opname in een psychiatrische kliniek waar hij tot zijn dood in 1970 meermaals in diepe crises zal verblijven.

Ausgewortet

Celan lezen is kruipen door beelden en woorden, en je laten betoveren door de zeggingskracht, de urgentie, de pijnlijke schoonheid van het lezen, van de woorden (ein Wort, zu dem du herabbrennst ) Maar het is naast de dreiging, ook de schoonheid van de trage taal die raakt en ontroert. Taal die vergezichten geeft en verontrust. Woorden die we in dagen dat we in vele opzichten ‘ausgewortet sind’[5], moeten koesteren. Het zijn woorden die we als een fermate moeten laten uitklinken, taal die een opening biedt tot de Eeuwigheid:

DIE EWIGKEIT

Rinde des Nachtbaums, rostgeborene Messer

flüstern dir zu die Namen, die Zeit und die Herzen.

Ein Wort, das Schlief, als wirs hörten,

schlüpft unters Laub:

beredt wird der Herbst sein,

beredter die Hand, die ihn aufliest,

frisch wie der Mohn des Vergessens der Mund, der sie küßt.

Want naast alle donkerte is er, hoe pijnlijk ook, steeds weer de liefde waarvan Ingeborg Bachmann in augustus ‘49 aan Paul Celan in Parijs schrijft: “Ich hatte Dich lieb gehabt, ganz unverändert auf einer Ebene, die ‘jenseits den Kastanien war’.“ Celans eerste bundel is dan net verschenen en nog amper gelezen.

Werner Pieterse

[1]           … schrijft Celan aan Max Frisch op 15 april 1959 over een “vor Monaten gegebenes Versprechen” om met zijn tante in Londen; het enige overlevende familielid uit Czernowitz, Pesach te vieren.

[2]           Emmanuel Levinas – Totaliteit en Oneindigheid, 25. Zijn openingswoord is van een dichter: “Het ware leven is afwezig” (Arthur Rimbaud – Une saison en Enfer (1873).

[3]           De gedichten uit de periode 1938-1944 waarvan een aantal in het Roemeens, verschijnen posthuum. Zie in het Nederlands de vertalingen Jan Mysjkin (in herdruk nov. 2020). Veel ervan volgen een klassiek rijmschema en zijn in vergelijking tot zijn latere werk relatief toegankelijk.

[4]           Alle citaten van de gedichten zijn afkomstig uit de eerste twee bundels (SU; MG) zoals opgenomen in Die Gedichte; Kommentierte Gesamtausgabe. De brieven zijn geciteerd uit Herzzeit; Briefwechsel Ingeborg Bachmann; Paul Celan. Wie echt alles wil weten over Celan schaffe zich het Celan Handbuch aan: Markus May (et. al. hrsg) Metzler Verlag Stuttgart, 2008.

[5] Term van Elfriede Jelinek.

In de Waagschaal nummer 11, jaargang 49, 14 november 2020