Taal van de toekomst

logoIdW

 

In zijn rede Het wonder van de losse olifanten beschrijft Willem Jan Otten hoe hij als jongetje van zeven, spelend op de Ringdijk aan de rand van Amsterdam, beneden in de struiken plots olifanten ontwaarde. Treffend verhaalt hij zijn ervaring van hun aanwezigheid, die bijzonder en tegelijk vanzelfsprekend was. Zijn verstand vertelde hem: dit kan niet, losse olifanten bestaan niet in Nederland. Maar zijn ondervinding zei: zo is het hier. De jonge Otten vertelt vervolgens hoe hij er niet in slaagde om de ervaring van heuse aanwezigheid die de olifanten bij hem gewekt hadden mee te delen. Niet aan de huishoudster, niet aan zijn broertje en niet aan zijn klasgenoten. Zelfs niet aan juffie, die hem wél geloofde. Zij geloofde hem, maar begreep hem niet. Vóór de klas legde ze uit dat ze zaterdagmiddag allemaal olifanten te zien zouden krijgen als ze met de klas naar de circusmatinee zouden gaan.

Met deze herinnering richt Otten zich tot ‘de ontwikkelden onder de verachters van de christelijke religie’, aldus de ondertitel. Tot diegenen dus die bij Miskotte als ‘atheïsten’ en ‘nihilisten’ te boek staan. Dat zijn inclusieve begrippen, want Miskotte leert ons dat wij onszelf daarbij mogen in begrijpen. Hoezeer hij daarin gelijk heeft, bewijst het verhaal van Ottens olifanten, dat zijn uitwerking dankt aan het feit dat het kan uitgaan van de onwetendheid en scepsis van de lezer. Want of we het willen of niet: als vanzelf verstaan we deze ervaring vanuit onze positie van ongelovige, scepticus, nihilist. Al vóór het woord ‘circusmatinee’ is gevallen, heb je als lezer je conclusie getrokken en de wonderfanten tot circusfanten gereduceerd. Dat wil niet zeggen dat we niet tegelijkertijd de daadkracht van dit verhaal kunnen ervaren. We herkennen ook dit kind en zijn eenzame omarming van wat het ondervindt: dat dit er dus is, aan de andere kant van de Ringdijk. Dit ene, bijzondere, van waaruit hij voortaan het algemene zal begrijpen.

Taal van mensen die ons voorgaat

Ergens van overtuigd zijn maar niet geloofd worden, dat is de positie waarin Miskotte de leiders van het leerhuis plaatst. Die positie wordt ons duidelijk vanuit de taal van het verhaal, dat zich beweegt op het snijvlak van geloven en begrijpen. Taal die ons aanspreekt vanuit de erkenning van het ons ingebakken NEE, om van daaruit weerstand te bieden aan alles wat de bevinding van het tegendeel bedreigt. Die ons hier bijvoorbeeld aan den lijve van dit kind laat ervaren wat de kerk in de huidige seculiere samenleving ondervindt: hooguit geloofd worden, maar niet begrepen (wat eigenlijk erger is dan andersom). Deze taal leert ons onderscheid maken en verbinden. Het is taal die beide, nee en ja, omvat.

Dit is ook de taal die Miskotte ons in Bijbels ABC wil leren verstaan, en die tijdloos taal van de toekomst is. Niet in de zin dat ze iets van later orde is; taal waarvan de betekenis ons in de toekomst nog wel zal blijken. Het gaat hier om taal die iets vooruit stelt, die toekomst máákt, verwachting schept. Zij maakt ruimte voor wat van eeuwigheid op ons toekomt, om nú in onze werkelijkheid in te grijpen. Het is taal die haar betekenis gaandeweg actualiseert, en die dus voortdurend actueel is. Alle reden om ons in die taal die Miskotte voor ons ontleedt te blijven oefenen. Door met Bijbels ABC in de hand de Schrift te spellen, maar ook door Miskotte te volgen waar hij schrijft dat het Woord zijn eigen loop heeft, dwars door bezet gebied, omdat het zijn eigen gang gaat. Zo kan het opduiken in de literatuur, waar de bijzonderheid van losse olifanten een nieuwe horizon opent.

Om te begrijpen hoe deze taal haar baanbrekende werk doet, onderwijst Miskotte ons in de grammatica van de Schrift. Hij leert ons de grondwoorden verstaan en ze in ons handelen te laten spreken. Miskotte rekent op de verstaanbaarheid en leerbaarheid van deze taal op grond van de menswording van God in Christus. Zo kan hij de structuur van de bijbel verwoorden in mensentaal. Miskotte gaat ervan uit dat de grondstructuur van deze taal dankzij de werking van de openbaring ook bij de mensen aanwezig is. Bijbeltaal is ten diepste de eigen taal van de mens. Ze is door en door humane taal.

Bij Otten wordt het Woord in de mensentaal van de literatuur verstaanbaar. Het woord wordt vlees in zijn verhalen. Zo kunnen ze stem geven aan de uitspraak van de werkelijkheid, de bevinding van het bestaan. Verhalen kunnen de taal van de mens spreken met als blauwdruk de taal van de Schrift. Taal van de toekomst horen wij dan, omdat haar betekenis niet ín of achter de woorden is gelegen, maar voor die woorden uit, in de betekenis die wij er in ons leven aan geven, in de manier waarop de grondwoorden ingrijpen in onze werkelijkheid. Zij worden al horend en ervarend werkzaam.

 Taaldaden

Dit onderstreept het belang dat Miskotte uiteenzet: dat wij ons van die bijzondere taal bewust moeten worden. Zo kunnen de grondwoorden in onze werkelijkheid ingrijpen en onze houding van een noodlottige in een weerbare veranderen, ons aanzetten tot humane keuzes op politiek en maatschappelijk gebied. Hoe doet die taal dat? Op welke wijze heeft zij daadkracht? Zo, dat wij van taal van de toekomst kunnen spreken, taal die een weg naar voren opent, waarlangs zin en betekenis op ons kunnen toe komen?

Ten eerste schept deze taal een werkelijkheid door te doen wat zij zegt. Zij is taal van daden. Haar uitingen zijn hándelingen die een verandering in de werkelijkheid teweeg brengen. Ze creëren iets wat er daarvoor nog niet was: ‘God sprak, er zij licht en er wás licht.’ Of met een literair scheppingswoord (ook van Otten): ‘Wijlen mijn hond liep ’s morgens als ik hem ging uitlaten altijd langs een speciale tak, die pas als ik ‘stok’ riep het voorwerp werd waarmee hij wilde spelen.’ Taal roept een werkelijkheid op, die de ‘echte’ werkelijkheid weerspreken kan. Die onze koers verandert (al is het maar minimaal). De werkelijkheid van deze bepalende, scheppende woorden blijkt sterker dan die welke zich willekeurig aan ons voordoet.

Een tweede aspect van deze taal is dat zij onderscheid maakt. Zij richt onze blik en maakt zo duidelijk wat het specifieke is waarom het gaat. De kracht van deze taal zit in dat onderscheidend vermogen: zij heeft betrekking op het persoonlijke, het concrete. Als het nodig is, is zij een verdedigingswapen, een verweer om de slagen op te vangen. Een woord kan omvatten, vangen, inperken. Daarmee is duidelijk waarop het verzet zich moet richten en zijn we gedwongen tot het maken van keuzes. Bevrijdende keuzes.

Behalve dat taal van de toekomst ons leert onderscheiden, laat ze ons ook zien wat het betekent om dat bijzondere met het algemene te verbinden. Dat doet ze doordat ze ons ‘ik’ opneemt in een ‘wij’. Zij laat ons participeren in het verhaal, geeft ons een weerwoord. Deze taal geeft ons toegang, tot de wereld, tot de ander, tot onszelf. Zij schept daden en vraagt om antwoord. Zo ontstaat samenspraak. Een gesprek dat ons aansluit op het leven.

Naam, samenspraak, vraag

Hoe ziet deze daadkrachtige taal eruit, die al onderscheidend en verbindend toekomst schept? Volgen wij de structuur van Bijbels ABC dan leren wij behalve de grondwoorden ook de grondstructuur van deze taal kennen. In de eerste leergang, Waarom moet God een Naam hebben?, gaat het om het maken van onderscheid, het benoemen van het bijzondere. Dat begint met dat ene woord, dat niet anders dan Naam kan zijn. Het persoonlijke, aansprekende. Als eerste grondvorm van taal van de toekomst bereidt de Naam ons een weg.

De tweede leergang draait om de vraag Hoe maakt je geschiedenis? We leren dat het gaat om te leven in gesprek met God. Taal van de toekomst heeft dus de vorm van dialoog. In samenspraak vormen God en mensen een bondgenootschap tegen het lot. Het is taal van betrokkenheid. De vraag op het antwoord, de ene mens op de andere. God en mens op elkaar.

De derde leergang, Hoe leer je leven van de belofte? brengt ons bij een laatste kenmerk: dat van de vraag, die van het ‘Adam, waar ben je?’, de ethische vraag dus. Het is taal die mensen aanspreekt en laat merken dat ze antwoord moeten geven. De vraag intervenieert in ons leven. Het is taal die iets van ons vraagt, maar die ons tegelijkertijd leert leven in de verwachting van een antwoord.

Miskottes theologie, zoals die in deze drie leergangen is samengebald in Bijbels ABC is taal van de toekomst, zoals de Schrifttaal waarop zij betrekking heeft dat is. Messiaanse taal in humane woorden, die ons leert leven uit het komende. Zij baant de weg die de mens kan gaan in tijden van Godsverduistering. Het is de taal van het ‘ja dat alle nee omvaamt en in zich draagt’ (Otten). Miskotte leert ons haar spellen als een ABC. Zo basaal, zo fundamenteel is het ons deze taal eigen te maken. Om mee op weg te kunnen gaan, elke generatie opnieuw.

Julie Benschop

Drs J.F. Benschop-Plokker is neerlandica en werkzaam als uitgever (theologie) bij Amsterdam University Press.