Van Waagstuk tot weegschaal

logoIdW

 

VAN WAAGSTUK TOT WEEGSCHAAL

Over kerk, sacrament en ambt in de christelijke dogmatiek

14: Kerk – sacrament – ambt

De titel van hoofdstuk 14 van de Christelijke dogmatiek is zakelijk: het gaat achtereenvolgens over kerk, sacrament en ambt. Waar enkele andere hoofdstukken getooid worden met meer poëtische opschriften, blijft hier een belijdende of vragende toevoeging achterwege. Wellicht verraadt dat iets van de intenties van de auteurs: aan dromen en vergezichten aangaande de kerk in de wereld wagen zij zich niet. Integendeel, zij brengen dogmatische klippen in kaart en varen daar vervolgens evenwichtig tussendoor, zeilen soms ietsje scherper aan de wind maar gaan nergens overstag voor tij van tijdgeest. Van meet af aan koersen ze bestendig af op de constatering dat het presbyteriaal gereformeerde denken over kerk-zijn waar het initiatief van Godswege aan de inzet van de mens verbonden wordt, zo gek nog niet is.

Als lezer ga ik daarin graag met hen mee. Het levert me een uitgebalanceerd en verfijnd overzicht op over ecclesiologie en ambt in vooral de protestantse varianten. Het is vooral heel compleet en daarom een zeer waardevolle vraagbaak voor wie behoefte heeft aan een gestructureerd denken over kerk en geloof. De auteurs dringen daarbij niets op maar reiken ons inzichten aan uit de schat der kerk. Hun theorie is consistent, bijvoorbeeld in de keuze om de oorsprong van de kerk te funderen in het werk van de Geest (hoofdstuk 12) en dat consequent uit te werken in dit hoofdstuk 14.

Niettemin blijf ik bij dit hoofdstuk achter met een licht gevoel van onbehagen. Dat komt voort uit de vrees dat een beschrijving van het ‘wezen’ van de kerk zonder die telkens opnieuw te betrekken op de werking ervan, toch altijd weer het risico van docetisme in zich draagt. Het helpt mij ook te weinig verder in een constructief denken met het oog op déze tijd. Dat betekent dat ik eigenlijk twee aspecten mis die elkaar op een vruchtbare wijze kunnen beïnvloeden, namelijk enerzijds een werkelijk crisisbesef aangaande de empirische gestalte van de kerk en anderzijds het visionaire zicht op de speelruimte voor de manifestaties van Gods Geest vandaag. Het steeds weer balanceren wat de auteurs doen door voortdurend het midden te zoeken tussen orde en Geest, kerk en Koninkrijk, ambt en charisma, individualiteit en gemeenschap, verlamt wellicht een creatief dogmatisch denken. De passie voor de kerk wordt dan tot oude liefde die het volhoudt bij de gratie van de lange adem Gods en het afgewogen oordeel van de mens. Maar de spanningsvolle paradox tussen de inzet van Godswege en de participatie van de mens in het heil, komt naar mijn idee niet tot een werkelijke dialectiek, noch tot een vruchtbare, noch tot een onvruchtbare. De gestalte van de kerk en de wijze waarop bijvoorbeeld ambt en sacrament hebben vorm gekregen in de verschillende tradities, staat niet écht onder kritiek. De auteurs wegen de verschillende vormen naar hun aard en inzet, wijzen al te radicale uitwassen af en zoeken vooral naar verbindende elementen die geworteld zijn in de beweging van Godswege. Deze inzet lijkt me een belangrijke bijdrage aan het oecumenisch gesprek, waar verschillen erkend mogen worden maar gezocht wordt naar verbinding op een dieper niveau. Zou dit echter ook kunnen wijzen op een onbewust voortschrijdende relativering van de ecclesiologie? En zo ja, is dat erg?

Ik constateer dat de volgorde waarin de kerkleer behandeld wordt, programmatisch is. De ecclesiologie zet in bij de kerk als door de Geest gevestigde eschatologische gemeenschap. Niet haar concrete gestalte is uitgangspunt, maar haar wezen dat rust in het initiatief in de Geest van God in Christus. De doordenking betreft verder verschillende modellen vanuit Schrift en traditie, de verhouding Rijk van God en kerk, woord en Geest, sacramenten, heilsmiddelen en de eigenschappen van de kerk. Tot slot komt in de laatste paragraaf de kerk en het publieke domein ter sprake. Deze volgorde brengt met zich mee dat andere manifestaties dan de klassieke vormen van kerk-zijn pas aan het einde in beeld komen en de denkbeweging van binnen naar buiten blijft. Vanuit het op God betrokken worden (de ingaande beweging), komt de missio in de wereld (de uitgaande beweging) in beeld. Dat strookt met de leer van openbaring en met de participatie van mens aan het heil, maar brengt de kerk toch meer als een gevolg van Gods handelen ter sprake dan als een aspect van Gods handelen in de vernieuwing van mens én wereld. De eschatologische gemeenschap die de kerk naar haar wezen is, blijft toch wat los staan van de empirische gestalte die zij heeft. Pas na dit hoofdstuk komt, analoog aan Berkhof en met letterlijk dezelfde hoofdstuktitels, de vernieuwing van de mens en de vernieuwing van de wereld aan de orde. Ik zou benieuwd zijn naar een insteek waarbij de ecclesiologie meer onder het aspect van én de bestaande manifestaties, én de vernieuwing zou zijn beschreven. Zou dan niet beter naar voren zijn gekomen hoe God van meet af aan de wereld op het oog heeft? Dan vervalt misschien ook de wat ongelukkig gekozen term ‘grensoverschrijdend’ in relatie tot de missie van de kerk (530).

Als praktisch theoloog is het niet verbazingwekkend dat ik vooral let op de verbinding tussen theologie en empirie. Voor een systematisch theoloog betekent dit de verantwoording van de zichtbare gestalte van de kerk, waarbij het naar mijn idee niet alleen zou kunnen gaan om de ideologie aangaande de zichtbare kerk, maar om de praktijk in al haar ambivalenties. Daar wagen Van de Brink en Van der Kooi zich echter nauwelijks aan. Ze realiseren zich wel dat het conform de notie uit de Heidelbergse Catechismus niet zozeer de trouw van mensen, maar de trouw van God is die de kerk beschermt en in stand houdt. Ze zien ook best dat de kerk in haar organisatievorm mee gevormd is door de cultuur. Tegelijkertijd duiden ze de cultuur vooral negatief. Telkens als het gaat om de kerk ‘onder het kruis’, dan wordt dit voor West-Europa ingevuld als een toenemende ‘culturele en politieke repressie’ (521), ‘de kerk onder maatschappelijke en politieke druk'(534), ‘politieke en culturele druk'(534). We kunnen ons hier van alles bij voorstellen, maar de auteurs concretiseren het niet nader. Voor mij verraden deze termen toch echter vooral een antithese tussen kerk en cultuur met een voorbijgaan aan de schuld en opdracht die de kerk zelf draagt ten aanzien van de geloofwaardigheid in de wereld. De erkenning van de kerk in een minderheidspositie kost de auteurs overigens weinig problemen, maar als je werkelijk recht doet aan de roeping van de kerk ten opzichte van de wereld hoeft dat niet geformuleerd te worden in bovenstaande ‘underdog’- terminologie.

Met bijzondere interesse heb ik het gedeelte over de sacramenten en de heilsmiddelen gelezen. De auteurs houden vast aan de presbyteriale lijn waarbij de kerk gekenmerkt wordt door de zuivere verkondiging van het Woord en de bediening van de sacramenten. Van de Brink en Van der Kooi volgen de lijn van Barth als het gaat om de drievoudige gestalte van het Woord van God maar nemen enige afstand tot de aanvankelijk sterk sacramentele insteek van Barths visie op de woordverkondiging (536). Zij sluiten dan aan bij wat zij noemen Barths latere visie op de verkondiging als getuigenis, hetgeen natuurlijk eveneens een sacramenteel karakter kan hebben. Waar Berkhof echter de preek en het ambt allemaal schaarde onder de ‘geleidende’ elementen van het heil, verankeren Van der Kooi en Van de Brink ook de verkondiging, doop en avondmaal in het mediale werk van de Geest, terwijl ze, anders dan Berkhof, de sacramentsnotie overheid houden. Tegelijkertijd bepleiten zij op allerlei plaatsen de erkenning dat ‘alle elementen in de kerkdienst’ in dienst genomen kunnen worden door God (537), dat ‘gesprek en geloofsonderricht’ ook gestalten van participatie aan het heil kunnen zijn (553), dat social media en evenementen middelen zijn ‘om mensen in gelovig opzicht te vormen, bij het heil te betrekken en te houden'(554) en dat, voor zover deze middelen verbonden blijven en zich laten normeren door de bijbelse bron, ze ‘moderne vormen van verkondiging, praedicatio Dei verbi,’ zijn (554). De auteurs erkennen op dit vlak dat zelfs Christus als het Woord zich van tweets kan bedienen. Daarmee zetten de auteurs naar mijn idee de deur wagenwijd open tot een vernieuwend denken over de relatie tussen sacramenten, heilsmiddelen en geloofscommunicatie. Maar de consequentie van dit denken werken ze echter niet uit. Gaat het om vormverschillen of is hier theologisch ook iets aan het verschuiven? Geloven de auteurs werkelijk dat ’empirische werkelijkheden’ zoals de architectuur van het kerkgebouw, muziekcultuur en lichamelijkheid in performance theologisch van belang is en wat betekent dat dan voor de het denken over heilsbemiddeling? Of is het toch een wat gratuite buiging in de richting van de moderne communicatiecultuur? Naar mijn idee is dit nog onuitgewerkt en is het wel één van de spannendste vragen van deze tijd. Eigenlijk hoop ik dat de auteurs na dit boek hun weegschaal weer even wegleggen en het waagstuk van de doorvertaling van hun haarscherpe gevoel voor de empirie oppakken in een vervolg waarin de kerk bij haar roeping en bij de tijd blijft.

Ciska Stark