Pinkstertheologie – Society for Pentecostal Studies

 

logoIdW

 

Eens per jaar reis ik voor uitgeverij Brill af naar het wetenschappelijke congres van de Society for Pentecostal Studies (SPS), dé internationale conferentie voor pinkstertheologen. Die conferentie vindt nooit plaats op de campus van een grote state university, maar altijd op een kleine christelijke pinksteruniversiteit, privaat gefinancierd, waar men theologie en verder hooguit ‘leadership’ of ‘business’ kan studeren, uiteraard vanuit (zeer) christelijk perspectief.

Als ik binnenkom, zit de zaal al helemaal vol met vooral Amerikaanse pinkstertheologen. Op het podium houdt oudtestamenticus Lee Roy Martin zijn presidentiële rede voor de Society. Ik hoor hier als uitgever helemaal niet te zijn – ik ben niet eens lid van de vereniging, al geeft mijn uitgeverij wel het wetenschappelijke tijdschrift van de SPS uit. Maar mijn nieuwsgierigheid is té groot om van dit evenement weg te blijven, en ik ben daarom onder de aankondigingen naar binnen geslopen.

De toespraak waarmee de president het nieuwe jaar inluidt, is in feite een retorische analyse van Psalm 107, waarin alles draait om de ‘chèsèd JHWH’, de ‘lovingkindness of the LORD’. De hoorder wordt opgeroepen tot dankbaarheid vanwege die goedertierenheid des Heren. In vier stappen worden de daden van JHWH beschreven, telkens afgesloten met een oproep tot dankbaarheid. Die daden zijn niet mis: de dolenden wordt een land toegewezen, gevangenen worden bevrijd, zieken genezen en zij die in het water ten onder dreigen te gaan worden opgetild uit hun ellende.

Martin laat de zaal iets zien van de structuur van de psalmtekst en behandelt een aantal woorden die in de tekst voorkomen. Tot zover lijkt het allemaal erg op de wijze van exegetiseren waarmee ik zelf vertrouwd ben: de literaire structuur van de psalm wordt goed bekeken, en de woorden worden in een bredere bijbels-theologische context gezet. Maar de tekst van de psalm, over ‘onze’ bevrijding uit ‘onze’ slavernij, laat vervolgens de spreker/exegeet niet onberoerd. Ook de zaal raakt ervan in de ban: eerst wordt er hier en daar instemmend gemompeld, of nadrukkelijk ‘Amen!’ gezegd, maar gaandeweg beginnen mensen op te staan en luidkeels de HEER te danken.

De spreker maakt van deze praktijk een theoretisch punt: hij vraagt zich af waarom in de huidige bijbelwetenschappen niet wat meer aandacht is voor de affectieve kanten van de bestudeerde teksten. Hij verwelkomt de retorisch-kritische analyse – die in de bijbelwetenschap sinds de jaren zeventig steeds meer ingang heeft gevonden en die veel oog heeft voor de effecten van de tekst op de hoorder (en hoe die effecten worden bewerkstelligd) – maar het is hem niet genoeg.

Terwijl ik met mijn gedachten ben afgedwaald naar allerhande theologische vraagstukken merk ik opeens dat inmiddels iedereen om mij heen is opgestaan. Er wordt geroepen, geklapt, gezongen. “I am Dutch Reformed” probeer ik mijn buurman toe te roepen, ter verontschuldiging voor mijn ‘austerity’ te midden van de swingende massa.

De Amerikaanse pentecostals hebben de naam rechts-conservatief te zijn, maar de geschiedenis van het pentecostalisme in Noord-Amerika is anders dan je zou denken. Het bijzondere van de Azusa Street Revival in Los Angeles, waar het in het begin van de twintigste eeuw althans in de VS allemaal mee begon, was dat het een gemengde geloofsgemeenschap was van zowel Afro-Amerikanen als blanken. Echter, in de loop van de tijd zijn de pinkstergemeenschappen behoorlijk gesegregeerd geraakt. Met name de blanke gemeenschappen hebben in veel gevallen zeer conservatieve en soms ook racistische trekken gekregen. Er lopen dus enorme politieke en raciale scheidingen dwars door de pinkstergemeenschappen: de Afro-Amerikanen bijvoorbeeld stemmen over het algemeen Democratisch, de blanken vaker Republikeins. Dit jaar kwamen sommige pentecostals zich zelfs spontaan bij mij excuseren vanwege de populariteit van Donald Trump. Zij weten dan weer niet dat wij een even blonde en even radicale Trump in Nederland hebben…

In 1979 werd, in weerwil van die nadruk op de affecties en de beleving en tegen de achtergrond van een diepgeworteld anti-intellectualisme, de Society for Pentecostal Studies opgericht. De academisch-theologische arbeid wordt inmiddels onder pinkstertheologen steeds serieuzer genomen, van de preken van Martin Luther King tot Sarah Coakley’s nieuwe boek over God en seksuele begeerte. De mensen die ik op deze conferenties ontmoet zijn over het algemeen behoorlijk liberaal. De Society functioneert ook in zekere zin als een vrijplaats: daar kan men zeggen wat men binnen de eigen denominatie of binnen het (conservatieve) seminarie waar men werkt niet kan zeggen. Eénmaal heb ik het meegemaakt dat een pinkstertheoloog die het tijdens de conferentie expliciet opnam voor de Palestijnse zaak en voor een dialoog met de gay community, later door zijn kerkgenootschap gevraagd werd te vertrekken.

Inmiddels is de presidentiële lezing ten einde en afgesloten met een gebed. Terug bij mijn boekenstand legt een Britse pentecostal mij uit dat er een groot verschil is tussen de ‘affectieve’ insteek van de pentecostals en de meer fundamentalistische van de zogenaamde evangelicals. Ook ikzelf heb op allerlei conferenties gemerkt dat onder evangelicals nog veel meer wordt gediscussieerd over de onfeilbaarheid (inerrancy) van de bijbel, over evolutie en Intelligent Design en dat soort dingen. Onder pentecostals hoor ik daar zelden over – al zal dat op pinksterseminaries in de Mid-West bepaald wel anders zijn.

Het lijken in onze oren wellicht allemaal achterhaalde theologische discussies en standpunten uit een land waarin conservatief christendom hoogtij viert. Maar deze academische Society for Pentecostal Studies is tegelijk ook een goed voorbeeld van de fragmentatie waarin de academische theologie in haar geheel terecht is gekomen. Gevangen tussen de Scylla van het confessionalisme en de Charybdis van secularisme / empiricisme eist in dit postmoderne tijdvak iedere theologische richting zijn eigen niche op. De pinkstertheologen doen dat op een expliciet confessionele manier, maar ook de contextuele theologen, de feministische theologen, de postkoloniale theologen, en ga zo maar door, hebben ieder hun eigen benadering ingebracht in de academie, en duizend bloemen bloeien nu – of verschrompelen ze in het grote veld van de academie? De mainstream wetenschappelijke conferenties zoals de American Academy of Religion (AAR) en ook de Society of Biblical Literature zijn meer dan ooit kermisachtige uitstallingen van talloze verschillende benaderingen. Daarover een volgende keer meer.

Hoewel ik me bewust ben van de hermeneutische discussies, vraag ik me af of ‘goed lezen’ niet feitelijk de enige opdracht van de theologie is. Als de bijbel inderdaad een pinksterboek is, dan zal dat bij goede lezing toch vanzelf wel blijken. Anderzijds: het is wel zo eerlijk dat al die theologen het kader waarin zij de bijbel lezen expliciet maken. En de geestdriftige hartenkreet van de pinkster-exegeet zal ik niet snel vergeten. Give thanks to the LORD!

Mirjam Elbers

M. Elbers is theoloog en acquirerend uitgever Theologie bij Brill