Over Wessel ten Boom, ‘Dromen. Late gedichten’
Toen ik die titel hoorde, moest ik meteen aan Joël denken: ‘Uw ouden zullen dromen dromen en uw jongeren zullen gezichten zien’, maar Wessel heeft het anders en wellicht iets diepzinniger gedacht. Hij geeft de bundel als motto mee een tekst van Paulus in de 2e Korinthenbrief: “want de letter doodt, maar de Geest maakt levend.” Eerlijk gezegd voel ik me al lezend toch vooral een letterknecht. Dat heb ik met de Schrift, maar ook met andere literatuur. Miskotte schrijft in het bijbels abc (p.17): “Maar als men het geloof zelf voor óók een religie houdt, is er geen doorbraak , geen uittocht uit het boze of gemoedelijke huis-van-bewaring, dat traditie genoemd wordt, mogelijk. Het is toch zo eenvoudig, zou men menen: lezen is leren, leren is denken, denken is uiteindelijk horen. Langs dit touw, bevestigd aan onze tralies laten we ons zakken en zijn op vrije voeten gesteld. Om in het open veld horende te staan”.
Zo zie ik de dichter Wessel ten Boom staan, gelovig en dapper ontij trotserend en verwerkend in zijn poëzie, waarvan ik hier een bundeling mag recenseren.
Het boek van Wessel heeft vier afdelingen. Op twee gedichten na zij ze alle van na 2012. Laat ik gelijk ook nog maar even zeggen: de gedichten zijn mooi afgedrukt – de uitgave in eigen beheer is wat dat betreft ook goed afgelopen.
1-34 zonder titel
37-60 Huispostille
63-86 Oerewoet
89-90 Late Dingen
De thematiek die als een rode draad door de meeste gedichten loopt is de liefde in haar schoonheid en ellende, de titel ‘dromen’ heeft dan vooral betrekking op dromen van de geliefde vrouw in heden en verleden. Maar ook de droom zoals bij Joël, gewekt door de Heilge Geest, doet mee, hetzij als onderliggend gegeven hetzij expliciet als thema. Ik geef eerst maar een paar voorbeelden, dan weet u evenveel als ik en komen we op gelijke hoogte. Eerst maar het gedicht dat ik één van de mooiste vindt: Winterliedje (p.94).
WINTERLIEDJE
O, ik wil wel voor je knielen
je aanbidden, tranen plengen –
maar wil vooral je kacheltje zijn
leden zachtjes strelen
je mond een zucht ontstelen
in liefde verzengen
je tot voorbij de hemel brengen –
het liefst wou ik je kachel zijn
o, wat heb je het koud
onder truien en dekens
alsof niemand er is
die van je houdt
zal ik je kacheltje zijn?
O, rood gloeiend, loeiend
voorgoed de hele dag
jouw kachel zijn
Het gedicht is Mozartiaans mooi. Je hoort de muziek en je wordt er gelukkig van. Zeker, veel andere gedichten ontberen dit probleemloze liefhebben. Ik citeer opnieuw en kies zijn eenvoudigste vorm (p.19):
Ik wilde wel wij waren altijd samen
ik dacht dat het zo ook was
schaduw is door mijn leven getrokken
niets was wat het was
Dit is al geen Mozart meer, ik citeer verderop (p.68):
Liefje, wat heb je gedaan
je bent niet alleen bij mij
maar ook bij jezelf weggegaan
Liefje, wat heb je gedaan
Liefje, wat heb je gedaan
ik geloof dat je liefde over was
dat al mijn tover over was
Liefje, wat heb je gedaan
Mijn lief, wat heb ik gedaan
dat niets meer voldeed
van wat ik ook deed
de dromen gingen eraan
Ach lief, meer dan ik weet
heb ik je pijn gedaan
Dit is meer Bachiaans, de donkere tonen zijn er ook, het leven is weerbarstiger dan je had gedacht en gedroomd.
Ik ben u nog enige opmerkingen over de afdelingen verschuldigd.
In de afdeling zonder titel vinden we ook een paar gedichtebn over Wereldoorlog 1, die Wessel deels achterna gereisd is. Wie dat zelf ooit ook gedaan heeft, zal begrijpen dat dichten hierover hartverscheurend is. Wessel hanteert een zacht cynisme dat vol mededogen is, in die stijl zijn een paar gedichten gesteld.
Oerewoet, de naam van de derde afdeling, is volgens de Aantekening op p.103 een belangrijk begrip van de dichteres Hadewych (13e eeuw). Het betekent zo veel als: brandende liefde, liefde die niet aflaat maar als oergevoel onrustig en verterend woedt. Als je eenmaal in deze 2e afdeling bent gekomen, begrijp je wel waarom Wessel dit begrip gebruikt.
Huispostille, dit betreft de gedichten die huis en haard van de dichter tot achtergrond hebben. Van koekenpan tot aanbranden, maar ook reizen en trekken in gezelschap van de dochters – neem ik aan.
De rubriek ‘Late dingen’ begint met ‘Ziekenhuis’ en laat vermoeden dat de gedichten hier de meest recente zijn. Dat geldt in ieder geval niet voor het hier voorkomende gedicht ‘Geheimenis’ dat uit 1996 stamt. Dat het hier toch onder de late dingen zich lezen laat heeft vast te maken met de vraag waarmee het gedicht eindigt: kan iemand deze last misschien van mij nemen?, waarbij de last is het weten om Saul, de hoofdpersoon van het eerste Samuëlboek met wie de dichter het te doen heeft.
Ik heb een beetje onbeschaamd opgeschreven wat mij inviel bij het lezen van Wessels gedichten. Ik hoop dat ik u een beetje lekker heb gemaakt en hoop dat u en masse de bundel zult bestellen. Het adres is wesseltenboom@gmail.com. Het cahier is gratis, u betaalt alleen de verzendkosten.
Wout van der Spek
In de Waagschaal, 50e jaargang, nr. 10. 16 oktober 2021