Opkomst van een tegencultuur?

In 1967 verscheen een nummer van De Gids met als thema Onbehagen, volgens de inleiding dan een modewoord. Natuurlijk is er de onmiddellijke en terechte associatie met Freuds Unbehagen in der Kultur. In het nummer een artikel van C.J. Dippel, die een belangrijke rol speelde in de toenmalige discussie in kerkelijke kring over geloof en natuurwetenschap. Dippel zag in het gevoel van onbehagen de laatste waarschuwing voor een luie, zelfgenoegzame cultuur, die zich liet beheersen door de ontwikkelingen van de techniek.

Die technische ontwikkeling was een belangrijke impuls van jaren 60-denkers om op te roepen tot een tegencultuur. Een van hen is Theodore Roszak. In De opkomst van een tegencultuur citeert hij Jacques Ellul en diens apocalyptische visie op de techniek. Roszak zocht naar een cultuur ‘niet gebaseerd op het rationalisme van de technologische maatschappij met zijn ‘objectieve waarden’ van efficiency en regelmaat’, maar naar een tegencultuur ‘gegrond op gemeenschapszin en ritueel’.

Roszak behandelt filosoof Herbert Marcuse, bekend van De eendimensionale mens: de mens die denkt dat hij het geluk heeft gevonden, maar slechts een volgzame consument is en zich laat leiden door reclame. De moderne mens was door allerlei maatschappelijke, volgens het (neo-)marxisme vooral economische ontwikkelingen, van zichzelf vervreemd. Het moest afgelopen zijn met de consumptiemaatschappij en het industrieel-militair complex. Vervreemding was in de jaren zestig een kernwoord. Filosoof Lolle Nauta noemde het een ziekenhuisbed, waar alle ziektes in hadden gelegen.

Volgens Freud leefde de mens in de onophefbare spanning tussen wat hij zou willen en wat hem maatschappelijk was vergund. Wijsgerig socioloog Beerling vat samen:  ‘Energieën, die anders door ongeremde driftbevrediging zouden zijn verbruikt’ moesten ‘sociaal en cultureel worden gekanaliseerd, omgeleid en benut’. Oftewel: driften werden onderdrukt. Lust en realiteit zouden altijd op gespannen voet met elkaar staan.  Marcuse meende Freud op dit punt te moeten corrigeren. Lust en realiteit zouden elkaar ooit wél af kunnen dekken, de spanning tussen behoeften en bevrediging ervan kon verdwijnen. Dat vroeg om -een utopische- maatschappelijke verandering. Echter, die kwam er voorlopig niet, daarvoor was de mens tóch te eendimensionaal. En zijn onlustgevoelens werden door het heersende maatschappelijk systeem op slimme wijze repressief getolereerd.

Marcuse was te zachtaardig, meent Roszak. Hij verwijst liever naar het werk van Norman O. Brown, met name diens boek Leven tegen dood, ook een freudiaanse interpretatie van de cultuur, met de tweestrijd van eros en thanatos als kernpunt. De geschiedenis is een en al neurose, de cultuur een poging de dood te overwinnen. De stad is ‘een neerslag van opgehoopte sublimatie en evenzeer een neerslag van opgehoopte schuld’. Dat is pas onbehaaglijk! En de mens is een ziektegeval: we zijn allemaal neuroten, de één alleen een beetje meer dan de ander.

 Verloren oermens en een nieuw bewustzijn

Bij Roszak aandacht voor Alan Watts, een voormalig Anglicaanse priester. Watts zocht het liever in de oosterse godsdiensten. In het Nederlands verscheen van hem De lof der onzekerheid. Kern: er ontbrak iets aan de mens, de oermens in hem was verloren gegaan. Cultuurpsycholoog en RK-priester Han Fortmann vroeg zich intussen ook af: Wat is er met de mens gebeurd? Hij analyseerde in Oosterse renaissance het conflict tussen de wetenschap van het westen en de wijsheid van het oosten. Hij leerde ons de hindoes en boeddhisten kennen. De theologie kreeg concurrentie van de godsdienstwetenschappen.

Tegencultuurdenker Charles Reich riep in The Greening of America op tot een nieuw type bewustzijn: het spirituele bewustzijn, waaraan het ontbrak en waarin de toekomst lag. Volgens Reich werd dit bewustzijn belichaamd door de hippies, die halverwege de jaren zestig van zich deden spreken. Maar dit bewustzijn manifesteerde zich breder, de sluis voor vreemde religies werd in de jaren 60-70 wijd opengezet. Tal van sektarische vormen van religiositeit, zoals beschreven door Christopher Evans in Jezus leeft en woont op Venus, zagen het licht. Een bizarre beweging als de ‘scientology-kerk’ ontstond. Iedereen kon zich daar als dominee aanmelden om zo de militaire dienstplicht te ontlopen.

De bijbel was niet meer het enige boek van de waarheid. De I Tjing verscheen in grote oplage, evenals het Egyptisch en Tibetaans dodenboek, de Bhagavad Gita, de theosofische boeken van Ouspensky en Gurdjieff, enz. De hang naar de spirituele dimensie vertaalde zich daarnaast in het gebruik van psychedelica. Gebruikten indianen die immers ook niet bij hun rituelen? Verschillende auteurs hadden hun ervaringen met chemische middelen te boek gesteld, zoals Timothy Leary en Aldous Huxley. Wat de moderne, aan welvaart verslaafde mens aan spullen in huis had gehaald, werd door Alan Watts aangemerkt als drugs. Dat was een mooie rechtvaardiging voor gebruik van die andere drugs.

Aan de discussie geloof – natuurwetenschap werd een nieuwe paragraaf toegevoegd door de relatie tussen natuurwetenschap en oosters denken te leggen, zoals in Capra’s Tao of Physics en Zukav’s Dancing Wi Lu Masters. Veel draaide om energie.

 Seksualiteit

Naast spiritualiteit speelde – hoe kan het anders bij freudiaans geïnspireerde denkers – seksualiteit een grote rol. In zijn bijdrage aan De Gids wijst zenuwarts A.J. Westerman Holstijn echter op de specifieke interpretatie ervan in die tijd, namelijk de genitale seksualiteit. Aan die beperkte interpretatie van Eros, die hij meent te signaleren, voegt hij een eigen beperkte interpretatie van Thanatos toe: de ambitie om te vernietigen. Beide driften worden vertegenwoordigd door respectievelijk de hippies, die streefden, gehuld in ‘losse’ kledij, naar liefde en verbinding, en anderzijds de provo’s, die uit waren op verstoring van de maatschappelijke orde, meent Westerman.

Energie en spiritualiteit

De hedendaagse psychiater Verhaeghe laat zien hoe thema’s uit de jaren 60 en 70 terugkeren. We zijn nog steeds vervreemd, alleen is er geen zelf meer waarvan we zijn vervreemd. Tegenwoordig is vervreemding, dat ons allerlei identiteiten worden aangepraat, waar ons lichaam ons door bijvoorbeeld burn-outs op attent maakt. Vervreemding dus letterlijk als ziekenhuisbed. Wat is de oplossing? Verbinding met energiestromen, meent Verhaeghe. Ook hij verwijst weer naar Freud, wiens seksueel gerichte psychoanalyses wellicht uit de tijd zijn (seksualiteit is immers geen probleem meer), maar de strijd tussen Eros en Thanatos zeker niet, aldus Verhaeghe (Trouw, 1-4-22).

Is er dan niet zoveel veranderd? De technologische ontwikkeling heeft doorgezet. De consument van toen is zelfs de hyperconsument van nu geworden. De hang naar spiritualiteit heeft tot het ontstaan van een sociologische significante groepering geleid en in veel huiskamers houdt een versteende boeddha ons gezelschap. Het hippie-ideaal van verbinding is bon-ton. En menigeen blijft zoeken naar energie, waar spiritualiteit de bron voor zou zijn. Dát is in elk geval van de tegencultuur blijven hangen.

Kees Doevendans

In de Waagschaal, jaargang 51, nr. 7. 2 juli 2022