Messiaanse exegese – feestbundel voor Rinse Reeling Brouwer

logoIdW

Vorig jaar ging Rinse Reeling Brouwer, als voorlopige afsluiting van een indrukkende academische carrière, met emeritaat. Hij bekleedde aan de PThU de Miskotte/Breukelman-leerstoel voor de theologische hermeneutiek van de Bijbel. Collega’s hebben hem, volkomen terecht, met een bundel willen eren en daarbij vooral aandacht willen schenken aan zijn ‘theologische existentie’ (6). Het resultaat is een rijk geheel aan stukken, die zijn gepresenteerd onder de drie noemers: ‘lezen’, ‘denken’ en ‘doen’.

            In de eerste afdeling vinden we stukken van Ariaan Baan (over Brené Brown en Paulus), Akke van der Kooi (Etel Adnan), Andreas Pangritz (Barth), Georg Plasger (Matteüs), Edward van ’t Slot (waarheid), Wout van der Spek (Psalm 110), Anne Marijke Spijkerboer (iconografie van Gods lijden), Benno van den Toren (Babel), Marco Visser (de knecht des Heren) en Gerard van Zanden (Breukelman en Barr). Stuk voor het stuk zijn het goed leesbare en interessante bijdragen. Mooi is, dat veel auteurs zich weliswaar geïnspireerd weten door Reeling Brouwer, maar er wel voor kiezen hun eigen gedachten te ontplooien in plaats van de zijne te becommentariëren. Zo werd in ieder geval deze lezer vaak prettig verrast en theologisch geprikkeld! Het is ondoenlijk alle bijdragen apart te bespreken. De stukken van Baan, Van der Kooi, Van ’t Slot, Spijkerboer en Van den Toren springen er voor mij inhoudelijk uit. Zij openen nieuwe perspectieven en getuigen van origineel en gelovig denkwerk, geïnspireerd door de jubilaris. De meer bijbelse bijdragen vallen toch tegen. Vaak moest ik ‘wat bedoel je’, ‘q.e.d.’ of zelfs ‘onzin’ in de marge noteren. De school van Breukelman heeft toch beslist minder te zeggen dan de meester zelf – wat ook weer iets zegt over de meester, maar dat terzijde. Twee uitglijders: Plasger spreekt onbevangen over de vervulling van de ‘tora’ in Matteüs (54) – terwijl ik toch vooral citaten uit de Profeten zie. Dat Tora wat anders is dan Profeten, zoveel heb ik dan nog wel van Breukelman geleerd. Dan: Baan schrijft ‘zo kunnen ouders kijken naar hun kind, zo kunnen geliefden kijken naar elkaar, zo zien klimaatwetenschappers onze planeet’ (22). Dit soort retoriek zou ik ronduit gevaarlijk vinden, als de maatschappij, die vaak maar één crisis tegelijk kan waarnemen, door het coronavirus haar aandacht niet had verlegd (met ook weer de bijbehorende en niet minder gevaarlijke retoriek – netto schieten we dus weinig op). Tot slot: de bijdrage van Van Zanden is een kleine historische parel.

            In de volgende categorie, ‘denken’, schrijven Wessel ten Boom (over de vriendschap met de jubilaris), Harm Dane (Arendt – Rosenzweig – Althusser – Lewis), Mirjam Elbers (Miskotte – Assmann – Rollins), Hans van Loon (Cyrillus van Alexandrië), Bruce McCormack (Chalcedon), Jan Muis (de hemel), Gerrit Neven (Noordmans – Henry – Endo), Renée van Riessen (Benjamin en Agamben), Katherine Sonderegger (het spreken Gods) en Wilken Veen (Benjamin en Agamben). Ook hier licht ik er enkele opstellen uit, zoals dat van Elbers. Zij begint met een actuele religiekritische lezing van Miskotte en Assmann, en introduceert de interessante figuur van Rollins, die nog een stap verder gaat en praktisch-liturgisch de afbraak van religie lijkt te bevorderen. Tegelijkertijd stelt zij een aantal belangrijke kritische vragen bij diens positie. Een opstel, de jubilaris waardig! Muis voert ons naar een indringend gesprek tussen Noordmans en Miskotte, en opent systematisch-theologisch nieuwe perspectieven op het begrip ‘hemel’. Veen geeft boeiende gedachten over het wezen van ‘gedenken’ aan de hand van een schilderij van Paul Klee.

            Ten slotte is er het deel ‘doen’. Hierin vinden we bijdragen van Dick Boer (over eschatologische verwachting), Hans Peter Gramberg (het einde van het socialisme), Gerard den Hertog (Ulrich – Agamben – Benjamin), Paula Irik (dementie en messiaans verlangen), Kees van der Kooi (messiaans verlangen en ambtstheologie), Herman Meijer (het appèl van de ander), Katja Tolstaja (over transcendentie en immanentie bij Barth en de oosterse orthodoxie) en Lieke Werkman (vragen van vluchtelingen). Deze afdeling is het meest een eenheid: alle auteurs (met uitzondering van Gramberg; zijn – ook slecht geschreven – bijdrage zou beter in een aparte categorie ‘klagen’ passen) reflecteren op de mogelijkheden van concrete praxis in het licht van messiaans geloof. Ook hier is weer veel te vinden dat nieuwe gezichtspunten biedt en inspireert. Ik noem, vrij willekeurig, de heerlijk concrete maar ook doorwrochte bijdrage van Werkman, die duidelijk maakt dat ‘mensenrechten’ maar een heel betrekkelijk begrip is en dat we de theologie nodig hebben om werkelijk verder te komen. Het artikel van Tolstaja is een verademing in zijn accuratesse en benoemen van de onmenselijkheid van het sovjet-systeem, en geeft tegelijkertijd stevige systematisch-theologische kost. Ook in deze afdeling komen we Walter Benjamin en Giorgio Agamben weer tegen. Voor mij was deze bundel de eerste bewuste kennismaking met dit tweetal. Het is duidelijk dat dit verklaard moet worden door Reeling Brouwers interesse voor deze 20ste-eeuwse denkers, maar misschien was voor de lezer die de laatste jaren niet aan zijn voeten heeft gezeten een kleine inleiding wel op zijn plaats geweest (met ook iets over waarom en hoe hij bij hen is beland). Gelukkig is er internet, maar toch.

            Over internet: de volledige bibliografie van Rinse Reeling Brouwer is tegelijk met de aanbieding van deze bundel op een speciale website geplaatst: www.rinsereelingbrouwer.nl. Het zou mooi zijn, als deze ook daadwerkelijk zou worden bijgehouden, want de hoofdpersoon is vast nog niet van plan te stoppen met publiceren. Misschien mag ik dan ook de suggestie doen, het geheel nog eens kritisch op fouten na te lopen – je hebt nu geen wichelroede nodig om er een handvol te vinden. Alleszins begrijpelijk met de tijdsdruk die nu eenmaal inherent is aan een dergelijk geschenk, maar die druk is nu weggevallen. Ook de bundel zelf had hier en daar beslist een zorgvuldiger redactie verdiend. Het heeft geen zin de fouten allemaal breed uit te meten, maar één ding is wel erg storend, namelijk dat op voorkant en titelpagina verschillende ondertitels prijken. Daar worden documentalisten en bibliothecarissen niet blij van!

            Als ik de inhoud van de bundel ten slotte vergelijk met die van de website, dan krijg ik wel de indruk, dat de schrijvers met name hebben aangesloten bij de recentere interesses en activiteiten van Rinse Reeling Brouwer. Ik weet het, dat had dan weer veel meer voorbereiding en organisatie gevergd, maar was er toch niet iets voor te zeggen geweest de breedte van zijn theologiseren in de bundel terug te laten komen? Ik vind niet veel over lichamelijkheid, gender en seksualiteit, nog sterker ondervertegenwoordigd zijn Calvijn en zijn tijdgenoten en leerlingen, en er is helemaal niets over geloofsbelijdenissen – die ook nog tot de leeropdracht van de jubilaris behoorden! Ook valt mij op, dat Miskotte veel prominenter doorwerkt dan Breukelman. Dat kan toch de opzet van de naar beide genoemde leerstoel niet zijn.

            Maar hoe dan ook: we hebben hier een rijke bundel en een overduidelijk hartelijk gemeend eerbetoon. Een donum gratis datum voor de betrokkene, en een getuigenis voor wereld en ecclesia dat theologie over dit leven op deze aarde gaat, en alleen geworteld kan zijn in de Schrift. Tussen die twee bevindt zich de lezende, denkende en handelende mens – in dit geval Rinse Reeling Brouwer. Zijn bestaan zij velen tot vreugde!

Liuwe H. Westra

Dr. L.H. Westra is als senior researcher verbonden aan de Tilburg School of Theology

 Edward van ’t Slot e.a. (red.), Messiaanse exegese. Bijbelse theologie met het oog op het Rijk. Opstellen aangeboden aan Rinse Reeling Brouwer, Utrecht, KokBoekencentrum 2019, 301 pp., € 25,00, ISBN 9789023956693

In de Waagschaal, jaargang 49, nr. 6. 30 mei 2020