Meditatie – Het licht schijnt in de duisternis, en de duisternis kan het niet vatten (Joh. 1:5)

logoIdW

Wie met het kerkelijke leesrooster heeft meegelezen dit jaar is van Johannes 3 tot en met hoofdstuk 10 gekomen. Het is een reeks van die typische gesprekken van het Johannes-evangelie, van onbegrip en ogenschijnlijk langs elkaar heenpraten, terwijl Jezus onder de oppervlakte communiceert als geen ander. Als het leesrooster ons dan met de lezing van Kerstmorgen terugvoert naar het begin van het evangelie, klinkt die proloog onmiskenbaar als de ouverture zoals die bedoeld is. Kernachtig passeren thema’s en motieven de revue die verderop een steeds grotere breedte en diepte krijgen. Het vleesgeworden Woord gaat onophoudelijk in gesprek. Het komt tot spreken in de verhalen en meer nog in de vele, langdurige gesprekken. Dat Woord in persoon stuit op onbegrip en tegenspraak. En omgekeerd is het Woord zelf tegenspraak, tegen de wereld. Het licht schijnt in de duisternis, en de duisternis kan het niet vatten.

Aangezien de wereld haar oorsprong heeft in het Woord, wordt duidelijk hoezeer zij – en wij als wereldlingen, als door en door werelds geworden – van ons wezen vervreemd zijn, van het licht in het schaduwbestaan terechtgekomen. De wijze waarop de mensheid nu op de aarde haar eigen leefomstandigheden ondermijnt lijkt wel een illustratie van die vervreemding. Onze levensstijl spreekt duidelijk een heel andere taal dan het Woord. Genieten, bezitten en meer zijn de sleuteltermen van de wereldse woordenschat. Je moet eruit halen wat erin zit. Nemen, vatten, grijpen, consumeren.

Voordat Hij dat geweld over zich heen laat komen, laat Jezus het Woord ook nog anders klinken, in de hoofdstukken van zijn afscheidswoorden tot zijn vrienden. Die teksten komen volgend kalenderjaar aan de orde, volgens het leesrooster. Ook dat blijft tegenspraak, maar de toon, de spreektrant is anders, constructiever. Het Woord creëert een eigen plek voor zich in de wereld. Daar kun je er in komen. In het Woord, in de Zoon. Daar ontvouwt zich een eigen manier van zijn in de wereld, als kinderen van de Vader. Een doen, een zijn als de Zoon. Ook dat Woord wordt niet begrepen. Maar het hangt ook niet aan ons onmiddellijke begripsvermogen. Het is gezegd, het klinkt na, het wordt herinnerd, na kruisdood en opstanding. Het wordt gehoord en in alle voorlopigheid gevat en aangevat.

Jezus belichaamt wat Hij te zeggen heeft en wat zo heftig weersproken wordt. Hem monddood maken volstaat niet. Zelfs zijn dood spreekt. De wereld kent enkel een zwijgen als het graf. Maar dit graf spreekt.

Coen Constandse

In de Waagschaal, jaargang 50, nr. 12. 11 december 2021