In memoriam Ad den Besten

logoIdW

 

Op 31 maart 2015 overleed, kort na zijn 92e verjaaardag, de dichter, redacteur, vertaler en docent Ad den Besten in zijn woonplaats Amstelveen.

Het register op dichters, vertalers en componisten uit het „Liedboek voor de kerken” is als bron van informatie bijzonder interessant. Ad den Besten’s naam blijkt bij de vertaling van 87 gezangen te worden genoemd, vergelijkbaar met J. W. Schulte Nordholt. Het Liedboek geeft een kort overzicht van Ad den Besten’s publicaties en vermeldt zijn werk als uitgever van poëzie, als dichter, tevens als bemiddelaar tussen Oost en West en als docent Duits.

In deze laatste hoedanigheid maakte ik Ad den Besten vanaf 1966 als student enkele jaren mee aan het Duits Seminarium van de Universiteit van Amsterdam. Den Besten doceerde Duitse poëzie van de Baroktijd tot heden en bleek een opvallende voorkeur te hebben voor een hoogst individuele dichter als Friedrich Hölderlin. In 1988 publiceerde hij een bundel met vertalingen van Hölderlin’s uiterst complexe gedichten. Hölderlin schreef oden met een klassieke metrische structuur, bijvoorbeeld de asklepiadeïsche ode. Den Besten bleef deze opbouw trouw en gaf daarnaast zeer verhelderend commentaar bij zijn vertalingen. Voor deze uitzonderlijke prestatie ontving hij de Martinus Nijhoff-prijs in 1989.

Al in 1960 had Ad den Besten in de beide Duitslanden grote bekendheid verworven door zijn bloemlezing „Deutsche Lyrik auf der anderen Seite. Gedichte aus Ost- und Mitteldeutschland”. Deze anthologie met gedichten van onder meer Erich Arendt, Stephan Hermlin en Reiner Kunze kreeg het predikaat „richtinggevend”, omdat zij de ogen van de West-Duitsers opende voor de verscheidenheid en kwaliteit van de poëzie in de DDR. Daarvóór had Den Besten zich ingezet voor de christelijke schrijver Johannes Bobrowski die uit Oost-Pruisen afkomstig was. Ad den Besten zag de kwaliteit van deze DDR-schrijvers zonder dat hij gevaren van de communistische dictatuur uit het oog verloor. In zijn contacten met de DDR werkte hij nauw samen met de even integere en strijdbare Hebe Kohlbrugge (die in 2014 honderd werd en met grote waardering over Den Besten spreekt).

Voor de Nederlandse letterkunde is Ad den Besten een onmisbare schakel geweest gedurende de jaren vijftig van de vorige eeuw. Hij hielp aankomende, begaafde dichters aan publicatiemogelijkheden met zijn poëziereeks „De Windroos”. In deze reeks konden dichters als Remco Campert, Guillaume van der Graft (Willem Barnard), Jan Wit, Hans Warren, Gerrit Kouwenaar, Huub Oosterhuis en Simon Vinkenoog hun eerste gedichten publiceren. Het is zeer de vraag of de geschiedschrijving van de Nederlandse letterkunde deze grote bijdrage aan het gehalte van de Nederlandse dichtkunst van na 1945 naar behoren heeft gewaardeerd. Het lijkt er veel op dat de neerlandici van nu dit hoofdstuk zijn vergeten.

Den Besten’s belangstelling voor poëzie dateert al vanaf zijn prilste jeugd. Zelf publiceerde hij voor het eerst in 1939 in het protestants-christelijke tijdschrift „Opwaartsche Wegen”. Zijn gedichten bundelde hij in 1965 in „Loflied voor Tegenstem”. Beschouwingen over poëzie kwamen uit in het boek „Stroomgebied” in 1954. In 1983 promoveerde hij op een proefschrift over de betekenis en het auteurschip van het „Wilhelmus”.

Terugkerend naar het Liedboek met de vele vertalingen van de hand van Ad den Besten, zien we dat hij een grote voorkeur had voor piëtistisch georiënteerde Duitstalige dichters als Paul Gerhardt, Christian Fürchtegott Gellert en de romanticus Novalis. Ook Maarten Luther en de jezuïet Friedrich von Spee komen in de lijst van zijn vertalingen voor. De liederen uit de Baroktijd hebben niet minder Ad den Besten’s sympathie. Ik denk bijvoorbeeld aan „Het oude jaar is nu voorbij” van Johann Steurlein. Uit de vertaalde gezangen blijkt de ondergrond van Ad den Besten’s geloof. Daar hoorde ook een duidelijke inzet voor een rechtvaardige samenleving bij.

Tijdens een van de Amsterdamse poëziecolleges sprak Ad den Besten over het beeld van een bloem in een bepaald gedicht (vermoedelijk van Rainer Maria Rilke). Hij vertelde dat de bloei van de bloem het summum van schoonheid en ontplooiing en tegelijkertijd het begin van het verval en van de dood is. Het beeld is mij bijgebleven. Vele jaren na mijn studie trof ik Ad den Besten in de Amsterdamse Willem de Zwijgerkerk tijdens een bijeenkomst met gemeenteleden van een partnergemeente uit de (toen voormalige) DDR. Uit zijn woorden bleek opnieuw zijn scherpe inzicht in het belang van de literatuur in de DDR.

Hans Ester

Dr. J. Ester doceerde Duitse letterkunde en cultuurwetenschap aan de Radboud Universiteit Nijmegen. Hij is als onderzoeker verbonden aan de Noordwes-Universiteit in Potchefstroom/Zuid-Afrika