Hitler, christelijk geloof en kerken

logoIdW

De Duitse historicus en journalist Volker Ullrich behoort tot de grootste Hitler-kenners van onze tijd. In 2013 publiceerde hij het eerste deel van zijn biografie, Adolf Hitler. Die Jahre des Austiegs 1889-1939 en in 2018 het tweede deel, Adolf Hitler. Die Jahre des Untergangs 1939-1945, die 1083 respectievelijk 893 pagina’s tellen. Nederlandse vertalingen volgden in 2014 en 2019. Bijna tien jaar heeft Ullrich aan de biografie gewerkt, dag in dag uit van ’s ochtends vroeg tot ’s avonds laat. Het was bepaald geen opbeurende arbeid om zo intensief bezig te zijn met de grootste misdadiger uit de geschiedenis van de mensheid (interview in Trouw 27 december 2014). Het resultaat mag er zijn. Door nieuw materiaal te gebruiken en zich te concentreren op de persoon van Hitler heeft Ullrich aan de zee van literatuur over Hitler geen overbodig boek toegevoegd. De boeken gelezen hebbend, stel ik twee leesvragen, namelijk: wat was de verhouding van Hitler (a) tot het christelijk geloof; en (b) tot de kerken? De eerste vraag heeft Ullrich niet gethematiseerd en komt verspreid vooral in het eerste deel aan de orde. De tweede komt ook verspreid aan de orde, maar krijgt in het eerste deel nog een eigen hoofdstuk (hoofdstuk 19 ‘Im Kampf gegen die Kirchen’). In beknopt bestek geef ik mijn leeservaringen weer.

Hitler en christelijk geloof

Opvallend is dat het zo informatierijke boek betrekkelijk weinig aandacht besteedt aan de godsdienstige, in dit geval rooms-katholieke, achtergrond van  Hitler. Is hier dan toch sprake van een blinde vlek? Geboren op 20 april 1889 in Braunau in Beneden-Oostenrijk als zoon van Alois Hitler en Klara Hitler-Polz, werd hij op Tweede Paasdag gedoopt. Ulrich noemt de datum, plaats en de pastoor niet: het was op 22 april in de parochiekerk van Braunau en degene die de doop verrichtte was Ignaz Probst.[1] Het is eigenlijk pas in de eerste noot van het genoemde hoofdstuk over de kerken dat Ullrich ingaat op de breuk van Hitler met het christelijk geloof die volgens diens eigen zeggen plaatsvond toen hij zo’n dertien tot vijftien jaar oud was (noot 1 op p. 1011). Verwijzend naar twee getuigen vermeldt Ullrich dat het de kwezelachtige geveinsde vroomheid (‘bigotte Art des Katholizismus’) in Oostenrijk was die Hitler deed vervreemden van het katholieke geloof. Ullrich verwerpt de stelling van de historicus Friedrich Heer, die in 1968 een studie wijdde aan het geloof van Hitler, dat Hitler sterk gevormd zou zijn door ‘specifiek katholieke elementen’ in de omgeving waarin hij opgroeide. Opvallend is dat Ullrich niet het onderscheid noemt tussen de niet-praktizerende vader en de gelovige moeder, die elke dag naar de mis ging en ook niet dat Hitler op de Sängenknabeschule van het Benedictijnerklooster in het koor zong en daar erg enthousiast over was. Op de Staats-Realschule in Linz, waar een godsdienstleraar was die op allerlei kritische vragen van leerlingen geen antwoord kon geven, begon Hitlers verwijdering van het katholieke geloof. Ullrich besteedt hier weinig aandacht aan, maar de conclusie die hij trekt dat Hitler brak met het geloof en meer nog, dit ging haten, is juist. Ullrich vermeldt ook dat Hitler nooit uit de katholieke kerk trad, maar gaat niet in op de mogelijke redenen daarvoor. Wel vermeldt hij dat Hitler altijd een zeker respect is blijven houden voor de macht van dit eeuwenoude instituut.

Religieus geladen redevoeringen

In zijn ‘wereldbeschouwing’ was Hitler een uiterst extreme sociaal darwinist. Het leven is als gegevenheid van de natuur een continue strijd waarin het zwakkere levensonwaardige leven ten onder gaat. Rassen en niet klassen zijn daarbij de drijvende krachten in de geschiedenis. In zijn biologistische rassentheorie was voor humanitaire overwegingen geen plaats. Wie niet wil strijden, verdient het leven niet. Voor Hitler was het arische ras het hoogste ras. De bestrijding van het joodse ras als incarnatie van het ultieme boze was hoofdopgave van zijn politieke missie. Dit rassenideologisch wereldbeeld vinden we terug in talrijke redevoeringen en in Mein Kampf. Ulrich laat zien dat vanaf de eerste redevoeringen van na de Eerste Wereldoorlog dit wereldbeeld aanwezig is en dat deze vol zaten met religieuze beelden en motieven. Hitler greep daarbij vaak terug op de Bijbel en ging meer dan eens zover om zich met Jezus Christus te vergelijken: “Het werk dat Jezus begon, zou hij (Hitler) voltooien. Het nationaalsocialisme is niet anders dan een praktische navolging van de leer van Christus”. Met missionaire ijver ontpopte Hitler zich als een politieke messias, die hoop bood aan mensen die in de naoorlogse tijd in onzekerheid leefden. Hitler had een groot gevoel voor politieke symboliek met een religieuze lading. Zo werd in 1921 de vlag met hakenkruis het officiële embleem van de NSDAP.  Zijn redevoeringen zaten vol religieus taalgebruik. Meer dan eens eindigde hij met ‘amen’. Er ontstond een Füherercultus met gelovige volgelingen, die in de ban raakten van zijn retorische gaven en meeslepende optredens. Het nationaalsocialisme ontwikkelde zich tot een politieke religie. “Wat betekent voor ons het christendom nog”, noteerde Hitlers naaste medewerker Joseph Goebbels in 1928 in zijn dagboek. “Nationaalsocialisme is religie”. Zoals eens de apostelen, zei Hitler in een redevoering, moesten de discipelen van de Führer de beginselen van de beweging als een evangelie in ons volk dragen.

Kerken

Hitler instrumentaliseerde zonder scrupules godsdienstige symbolen en gevoelens voor zijn politieke doeleinden. Daarbij was hij echter voorzichtig om gelovigen en kerken niet te schofferen. Naar buiten toe stond hij een strikte neutraliteit tegenover de confessies voor en wilde hij geen godsdienstige strijd binnen de partij. Artikel 24 van het partijprogramma luidde: “Die Partei als solche vertritt den Standpunkt eines positiven Christentums ohne sich konfessionell an ein bestimmtes Bekenntnis zu binden”. Aanvallen vanuit de partij of door partijleden op geloofsgemeenschappen en kerken verbood hij streng. Degenen die zich daar wel schuldig aan maakten of een volksreligie wilden stichten, werden uit de partij gezet. In zijn eerste radiorede, op 1 februari 1933 stelde Hitler dat het christendom de basis vormde van onze gehele moraal. In maart verklaarde hij dat de nieuwe regering de beide christelijke confessies als de belangrijkste factoren zag voor het behoud van de volksaard en dat hun rechten niet aangetast zouden worden. Ullrich maakt duidelijk dat Hitler uit opportunisme omzichtig met de kerken omging, hoewel hij vijandig tegenover het christendom stond. De kerken onttrokken zich als enige institutie aan de totaliteitsaanspaken van het nazisme. Hij was erop uit dat ook zij zich daaraan zouden onderwerpen en was ervan overtuigd dat als de oorlog door hem gewonnen zou zijn, hij dat zou realiseren. Vooral de katholieke kerk vormde een obstakel. Het overgrote deel van haar leden stemde op de Centrumpartij en Hitler had de steun van deze partij nodig om de macht te kunnen veroveren. De bisschoppen hadden vanaf 1930  gewaarschuwd tegen de dwaalleer van het nazisme, maar na zijn machtsovername lukte het Hitler deze afweer te doorbreken Er kwam een concordaat dat echter al snel door Hitler geschonden werd als het ging om het recht op eigen organisaties en scholen.

Hitler dacht het met de protestanten makkelijker te hebben, omdat velen van hen voor 1933 de NSDAP steunden. Ullrich beschrijft in grote lijnen de geschiedenis die de lezers van In de Waagschaal vertrouwd zal zijn. Hitler wilde de 28 Landeskirchen in een strak georganiseerde Rijkskerk doen opgaan om hen op deze wijze ondergeschikt te kunnen maken aan het regime en een tegenwicht tegen de katholieke kerk te kunnen scheppen. Met ergernis zag Hitler het falen van bisschop Ludwig Müller van de Deutsche Christen. Hij ontwikkelde tegen Niemöller en zijn medestrijders een intense haat. De Pfarrernotbund moest bestreden worden.

Hitler probeerde de kerken uit het publieke leven te verdringen, maar vermeed zoveel mogelijk conflicten. Hij was woedend over kritische geluiden uit kerken, maar liet dat naar buiten toe niet blijken. Eind 1937 verordonneerde Hitler rust aan het front met de kerken. Hij kon geen grote conflicten gebruiken nu hij naast het vernietigen van de joden ging werken aan een ander groot doel: het scheppen van Lebensraum in Oost-Europa. Dat bleek later ook toen op 3 augustus 1941 kardinaal Von Galen iets ongehoords deed: hij doorbrak het zwijgen over de ‘euthanasie’, de massamoorden op mensen met een handicap. Goebbels was woedend, maar kwam na enige dagen tot het inzicht dat gezien de moeizame strijd aan het Oostfront de zaak niet hoog gespeeld moest worden. Hitler was het ermee eens dat de ‘Kirchenfrage’niet op de spits gedreven moest worden. De beslissende afrekening moest tot na de oorlog, als de overwinning bereikt zou zijn, uitgesteld worden.

Stellen we tot slot de ‘wat als-vraag’: Stel dat Hitler zijn hand niet overspeeld had, de oorlog tegen Rusland niet begonnen was en hij niet verslagen was, wat zou er dan met de kerken gebeurd zijn? Ullrichs biografie gelezend hebben, is het antwoord dat hij ze gemarginaliseerd en gelijkgeschakeld zou hebben en een ieder die dat weerstaan zou hebben meedogenloos om had laten brengen. Martin Bormann wilde dat na de eindoverwinning op Rusland Von Galen publiekelijk op de markt in Münster zou worden opgehangen. Ik denk dat dit een klein voorproefje zou zijn geweest van wat degenen te wachten stond die de moed zouden hebben om hun knieën niet te buigen voor deze superdemonische macht.

Herman Noordegraaf

[1] Voor deze en andere nog te noemen gegevens verwijs ik kortheidshalve naar P.F.M. Fontaine, ‘”Ik en niemand anders!’ Het geloof van Adolf Hitler’, in: Transparant 6.2 (1995), pp. 24-27.

In de Waagschaal, jaargang 50, nr. 6. 29 mei 2021