God verbiedt het!

logoIdW

 

At Polhuis schrijft voor In de Waagschaal een serie over Karl Barth en het pacifisme. Leidend daarbij is Barths stellingname ten aanzien van de dreigende inval van Hitler-Duitsland in Tsjecho-Slowakije in 1938, die hem er in een brief aan zijn collega Hromadka toe brengt te zeggen dat ‘nu iedere Tsjechische soldaat niet alleen voor de vrijheid van Europa, maar ook voor de christelijke kerk zal staan en vallen’. Heeft Barth gelijk dat er voor pacifisme niet altijd plaats is? En wat betekent dit voor de politiek vandaag de dag? Na IdW 44/1 en 2 volgt hier deel 3. Aan het einde van de serie wil Polhuis ingaan op de reacties, zo bijv. die van Karel Blei (IdW 44/2).

Barths kritiek op het pacifisme komt duidelijk naar voren in zijn antwoord op een brief van een lid van Kerk en Vrede. In zijn brief geeft hij het advies de naam van de vereniging aan te passen. Maak er Kerk en Staat van of Kerk en echte vrede. De brief aan Barth werd verstuurd door de Zandvoortse predikantsvrouw mw. A. Tromp. Hoewel haar brief niet meer te vinden is, is wel duidelijk wat de strekking er van was. Zij was geraakt door Barths stellingnemen in zijn brief aan Hromadka en vroeg hem wat de consequenties daarvan waren voor de grondslagen van haar vereniging. Het antwoord van Barth heeft effect op haar en op vele andere leden van Kerk en Vrede. Het leidt er toe dat vele voorgangers Kerk en Vrede verlaten, inclusief mw. Tromp en haar echtgenoot ds D. Tromp. Onder hen is ook K.H. Miskotte. Deze scheiding der geesten verloopt emotioneel met verwijten over en weer. In ‘Hoera voor het leven’ meldt J.J. Buskes, dat het ledental schrikbarend achteruit liep. ‘In mei 1938 hadden we 7143 leden, in april 1940 was dat getal teruggelopen tot 5416’. (156) Barths stellingnemen bracht kennelijk goed onder woorden wat er in brede kringen van Kerk en Vrede leefde. Toch betekent het niet het einde van Kerk en Vrede. Er zijn er die het opnemen tegen Barth en blijven opkomen voor het pacifistische standpunt. In dit verband is met name Buskes interessant. Leerling van Barth, maar op dit punt hem niet volgend. Hij weigert Barth te volgen in zijn stelling dat een oorlog omwille van het recht noodzakelijk is en dus door de kerk gesteund dient te worden. Zijn visie zet hij in verschillende artikelen in het blad van Kerk en Vrede uiteen. Ik vat die in vier punten samen.

  1. Pacifisme is geen vaststaand principe

Buskes deelt de mening van Barth dat pacifisme nooit een vaststaand principe mag zijn. Wie zo denkt, zet zich buiten de actuele discussie. Elke situatie vraagt om een nieuwe doordenking. Ook is Buskes het hardgrondig met Barths afwijzing van het Nationaalsocialisme eens. Hij verschilt ook niet van mening over de waardering van het verdrag van München en de daarmee samenhangende verkwanseling van Tsjecho-Slowakije. Buskes vat Barths positiebepaling op als een waarschuwing aan pacifisten zich niet vast te houden aan de gebruikelijke schema’s. Het gaat niet om vrede in algemene zin, maar om – en dan citeert hij Barth – ‘den werkelijken, den echten, den rechten vrede’. Daar dienen pacifisten voor op te komen.

  1. Dictatuur en oorlog

In de politieke analyse van zijn dagen verschilt Buskes dus niet veel van Barth. Als strijdmakker tegen het Nationaalsocialisme en de daarmee gepaard gaande dictatuur stelt Buskes dan een aantal kritische vragen aan Barth. Als eerste vraagt hij zich af of het dilemma dat Barth schetst wel juist is. Is het wel waar dat het gaat om een keuze tussen het vrijwillig beamen van de dictatuur en de schande van de heerschappij van de Antichrist enerzijds en sterven en doden ten gunste van recht en vrijheid anderzijds? Het dilemma zo gesteld leidt inderdaad onvermijdelijk tot oorlog voeren en dus tot doden. Buskes formuleert het dilemma anders. De keus die gemaakt moet worden is doden ook omwille van recht en vrijheid enerzijds of zich onvrijwillig aan de heerschappij van de Antichrist onderwerpen. De kern van Buskes kritiek zit in het woordje vrijwillig bij Barth. Er is voor Buskes geen sprake van een vrijwillig of passief zich aan Hitler overgeven. Bij hem en volgens zijn zeggen bij elk lid van Kerk en Vrede, blijft het verzet tegen het Nationaalsocialisme voorop staan. Als het niet anders kan dan is de onderwerping aan de dictatuur onvrijwillig, dat wil zeggen de mogelijkheid van verzet blijft open. Geen enkele medewerking aan de dictatuur. Hij weigert dus de actieve keus voor de oorlog te maken. Ook als het gevolg daarvan een onvrijwillige onderwerping aan de dictatuur is. Het is een vraag die in onze dagen opnieuw actueel wordt.

  1. Oorlog als inadequaat middel

Barth kiest, de politieke analyse met Buskes delend, voor de oorlog als middel om het recht te beschermen. Het is de taak van de staat om dat recht te beschermen als het bedreigd wordt. Dat gebeurt door de dictatuur van die dagen. Daarom is de oorlog tegen deze dictatuur geboden. Buskes stelt bij deze redenering, die tot op de dag van vandaag nog altijd opgeld doet, een kritische vraag. Is deze keus niet een contradictio in terminis? Corrumpeert de oorlog niet terstond het middel? In een oorlog gaat het niet om recht, maar om macht. In een oorlog en zeker in de moderne wordt het recht geschonden en de gerechtigheid vertrapt. Door voor de oorlog als middel om het recht te beschermen te kiezen ontkomt men er niet aan om zelf onrecht te plegen en de gerechtigheid te kort te doen. Dan wordt – en deze vergelijking komt vele malen terug – de duivel met Be‘lzebul uitgedreven.

Buskes wijst er in dit verband op dat de staat die omwille van het recht de strijd aanbindt met de dictatuur bijna vanzelf demoniseert. Omwille van de oorlog worden er allerlei beperkingen opgelegd. De oorlog laat zich niet sturen, de oorlog legt dwingend haar wil op. Dat geldt ook voor de vrijheid van de prediking waar Barth voor pleit. Juist omwille van die vrijheid strijdt volgens hem de Tsjechische soldaat als die verzet tegen de dictatuur pleegt. In de oorlog wordt deze vrijheid, ook als die oorlog omwille van de vrijheid van de evangelieverkondiging gevoerd, ingeperkt. De kerk kan in zo’n situatie niet alles zeggen. Wat komt er in de oorlog van geloof en liefde terecht, vraagt Buskes zich af.

  1. God verbiedt het!

Als de oorlog een inadequaat middel is om de dictatuur van het Nationaalsocialisme te bestrijden, hoe dan wel? Daarover is al iets gezegd. Buskes pleit net als Barth voor verzet. Dat verzet blijft. Onderwerping aan de dictatuur is altijd onvrijwillig. Daarmee komen we bij de kern van zijn afwijzing van Barths oproep om met geweld tegen de dictatuur te strijden. Door het middel van de oorlog te gebruiken, treedt men uit de dienst van God. Voor hem staat het vast dat de oorlog door God verboden wordt.

Het lijkt er op alsof Buskes dan toch terugvalt op het pacifisme als altijd geldend principe. Hoewel in zijn dagen dikwijls zo opgevat, doen we hem daarmee te kort. Betoogde hij dat de oorlog als middel ontoereikend is, nu vult hij het aan met de stelling dat de oorlog nooit een middel is dat met God verbonden kan worden. Als hij daarover schrijft is Buskes op zijn felst. Oorlog omwille van Jezus Christus klinkt mooi, maar is volstrekt idealistisch. Het is na•viteit ten top. Oorlog betekent dan doden en moorden in de naam van Jezus Christus. Het is verloochening van Zijn naam.

Wat Buskes in feite betoogt is dat elk middel dat ontleend wordt aan de dynamiek van de oorlog de dynamiek laat voortduren. Wie zijn middelen daardoor laat dicteren, zal worden meegenomen in een situatie die tot onmenselijkheid leidt. God verbiedt dat!

Waarom is dat zo? De dynamiek van de oorlog moet doorbroken worden. De kernzin bij Buskes is dat de Antichrist alleen bestreden kan worden door Jezus Christus te belijden. Door de middelen te ontlenen niet aan de wereld waarin de Antichrist kan gedijen, maar aan Jezus Christus. De geestelijke heerschappij van de dictatuur is slechts uit te bannen of te overwinnen op geestelijke wijze. Om het met eigen woorden te zeggen: wie in de strijd met de dictatuur zijn middelen in symmetrie met de dictatuur kiest, zal uiteindelijk door de dictatuur opgeslokt worden. De strijd met dictatuur is alleen effectief als er voor asymmetrie gekozen wordt. Dat is wat Buskes bedoelt als hij stelt dat de enige effectieve manier om het Nationaalsocialisme te bestrijden de belijdenis van Jezus Christus is. Het is een strijd die niet met wapens te winnen is. Het is een geestelijke strijd, die met middelen daaraan ontleend gestreden wordt. Voor de duidelijkheid. Dat is geen passiviteit, maar strijd en de bereidheid om te lijden.

Actualiteit

Buskes’ strijd en tijd zijn de onze niet. Is daarmee de actualiteit van zijn verweer achterhaald? Ik denk het niet. Opnieuw staan we voor de vraag of oorlog het middel is om de Russische agressie te weerstaan? Dezelfde vraag is er ook bij de opstelling jegens IS. Is oorlog het middel om deze boze ideologie te weerstaan?

Het lijkt er op dat in onze tijd op beide vragen zonder al te veel discussie bevestigend geantwoord wordt. Een krachtige pacifistische beweging, zoals Kerk en Vrede in die dagen was, kent Nederland niet meer. In die dagen daagde die vereniging leidende politieke en maatschappelijke kopstukken om stelling te nemen. Dat debat ontbreekt in onze dagen.

Ook de kerk zwijgt over deze vragen. Binnen de kerken is er nauwelijks enige discussie. Oorlog kan kennelijk zonder al te veel weerstand met het evangelie verbonden worden. Buskes zet daar een ook voor onze dagen een vraagteken bij. Want, zo vraagt hij, ‘wat betekent oorlog en wat komt er in den oorlog van het geloof en de liefde terecht? Die vraagt treft ook ons in onze dagen.

At Polhuis