Ethiek als lofzegging (en omgekeerd)

logoIdW

 

Barth voor Beginners VIII

Godsdienst wil God niet van ons mensen. Dat is een krachtige en duidelijk getrokken lijn in de theologie van Karl Barth. Maar enige toelichting is daarbij niet overbodig. Immers de traditie van het christendom bevat aanleidingen te over om het dienen en eren en liefhebben van God als ‘s mensen roeping en bestemming te beschouwen. De mens komt tot zichzelf en tot zijn recht als zijn verlangen en zijn liefde uitgaan naar God en als het hoogste goed en zijn onrustig hart rust vindt in Hem, die ons – dat niet te vergeten! – het eerst heeft liefgehad.

Zonder dat radicaal te ontkennen kan Barth daarmee toch niet volstaan, want het doet geen recht aan de onmiskenbare teneur die zich aftekent in het openbaringsgetuigenis van de Schriften.
‘Er (Gott) liebt also nicht, um wiedergeliebt zu werden’ (KD IV-2, 881) Ook dat toch wel verrassende zinnetje verdient en behoeft nadere verklaring. Het oogmerk van Gods naar de mens (en de wereld) uitgaande liefde is niet zo zeer dat de mens nu op zijn beurt ook Hem zou liefhebben en daarin zijn bestaansvervulling zou vinden. Het zou te weinig royaal, te benepen gedacht zijn over de reserveloze en conditieloze liefde van God om zelf het exclusieve of toch voornaamste voorwerp van ‘s mensen liefde te willen zijn. ‘Man sehe zu’, schrijft Barth, ‘dass man sich die Liebe Gottes nicht etwa als das Ur- und Vorbild unserer sattsam bekannten Selbstliebe, in der jeder das Seinige sucht, vorstelle’ (ibidem).

God zoekt in zijn liefde voor de mens niet zichzelf en hij heeft dan ook diens bevestiging niet nodig om in soevereine vrijheid en koninklijke heerlijkheid zichzelf te zijn. Kort en bondig gezegd: God wil en behoeft de mens niet als zijn onderdanige dienaar, als zijn gehoorzame lakei, maar Hij wil als ‘God-met-ons’ (en niet zonder ons), bijgevallen worden in zijn naar mens en wereld uitgaande liefde. God wil de mens als het object van zijn liefde dus ook als het subject van die liefde; dat wil zeggen als participant in zijn menslievendheid. Daarin wordt God door de mens gediend en geëerd, daarin wordt zijn Naam geprezen en groot gemaakt, doordat de mens God (of Christus) volgt op de weg en in de praxis van diens liefde. De wederkerigheid van de liefde heeft aldus in de analogie van de liefde haar zwaartepunt. De door God gezochte en geliefde mens heeft op zijn beurt daarin God lief dat hij betrokken wordt en zich laat betrekken in Gods vredesmissie in de wereld, in de diaconie der verzoening

Zo vindt er ‘Aufhebung der Religion’ plaats. Godsdienst (of religie) is altijd ook deelname aan Gods mensendienst; altijd en onmiddellijk ook ethiek. Het eerste en grote gebod (kunnen we ook zeggen) is innig en onverbrekelijk verbonden met het tweede gebod. Apostel Paulus durft zelfs te zeggen: ‘want wie de ander liefheeft, heeft de Wet vervuld’ (Rom. 14:8). De ganse Wet, inclusief de liefde tot God! In de liefde, de zorg en de aandacht voor de naaste dienen, eren, prijzen we God. Zo is ethiek God loven en liefhebben en we kunnen God niet liefhebben en zijn Naam prijzen zonder – met Hem en als Hem – de naaste in liefde te toegedaan en toegewijd.

Daarom is het niet toevallig dat de fameuze paragraaf 17 uit de KD over ‘Gottes Offenbarung als Aufhebung der Religion’ direct gevolgd wordt door paragraaf 18 ‘Das Leben der Kinder Gottes’, waarin Barth het zogeheten ‘dubbelgebod der liefde’ uitlegt. Vanuit de onverbrekelijke eenheid van het eerste en het tweede gebod moet de opheffing van religie, als exclusieve dienst van ‘God zonder de mens’, begrepen worden. Evenzo verstaan we het dubbelgebod als de grondvorm en de grondslag van de overgang van een de naaste negerende godsdienst naar een de naaste liefhebbende en toegewijde dienstbaarheid. Daarin wordt de God der openbaring geëerd, want zijn glorie is gelegen in de menselijkheid van de mens en in de wereld als het theater van zijn heerlijkheid.

Het mag ons aanvankelijk (en ook blijvend!) verrassen dat Barth de uitleg van het tweede gebod plaatst onder de titel ‘Das Lob Gottes’. De ‘ethiek’, kunnen we zeggen, als lofzegging (Gods). Want ‘was immer unter Lob Gottes zu verstehen sein mag – es wird sich jedenfalls auch als Gehorsam gegen dieses Gebot verstehen lassen müssen’. (KD I-2, 442).

Barth heeft dat consequent vastgehouden in heel zijn theologie en in zijn politieke existentie. Geen orthodoxie zonder orthopraxie, geen dogmatiek zonder ethiek, geen kerkelijk belijden zonder een kritische benadering van de politieke gebeurtenissen en de maatschappelijke toestanden. Maar het betekent daarom nog niet dat de lof van God nu volledig opgaat in de naastenliefde en uitsluitend ethisch van aard is. Dat zou een ongeoorloofde en onvruchtbare antithese zijn ten opzichte van de exclusieve Godsliefde. Daarin dreigt een schraal en ook uiterst vermoeiend moralisme het leven van de kinderen Gods te gaan beheersen.
Barth heeft zelf destijds op dit front strijd geleverd, al was het al wat laat, zegt hij met enige zelfspot, want de tijd van de mystiek en het piëtisme was toen al goeddeels voorbij en een rationalistisch moralisme had (en heeft nog) de overhand gekregen op de vroomheid en de stille of ook openlijk geuite vreugde over Gods bevrijdende woorden en daden. Het eerste en grote gebod is weliswaar onverbrekelijk verbonden met het tweede, maar ze zijn nochtans niet te identificeren. Het was en is nodig om tegenover bepaalde vormen van mystiek, piëtisme en romantiek de ethische strekking van de godsliefde duidelijk tot uitdrukking te brengen, maar dat wil niet zeggen dat het leven van de kinderen Gods nu gereduceerd moet worden tot ‘die Veranstaltung eines ewigen Werktages’ (KD IV-2, pag. 902), waar er geen legitieme plaats meer overblijft voor het loflied of het dank- en vraaggebed. In het leven van de christen is de vroomheid bepaald geen misplaatst of oneigenlijk element, want de liefde tot God en Jezus moet niet alleen gedaan worden, maar ze mag en moet ook uitgesproken worden. Nog beter: uitgezongen. De lof Gods is dus niet alleen impliciet en verborgen in de naastenliefde, hoe wezenlijk ook, maar ze is ook expliciet en openbaar in de lofzang en de viering en de gedachtenis van Gods grote daden.

‘s Mensen handel en wandel staan zo in het ontspannende kader van de lofzegging en de dankbaarheid. Het gaat niet om zelfverheerlijking, zelfrechtvaardiging of zelfrealisatie. De liefde tot de naaste is belangeloze liefde, zij het dat al deze dingen als rechtvaardiging, verheerlijking en zelfrealisatie ons daarin bovendien geschonken worden! De zich geliefd wetende mens kan en wil niet anders dan in deze eenheid van noodzaak en vrijheid uit en in de liefde leven. Hij beoogt en zoekt niet zichzelf, maar is in zelfvergetelheid geheel gericht op zijn naaste. Maar bukkend onder de altijd weer zware last van het medemenselijk en maatschappelijk bestaan wordt hij ook telkens weer opgericht en in zijn compassie met het lijden van de creatuur zal hij ook zelf keer op keer getroost worden. De liefde is zo geen nutteloze en vergeefse passie. Ja, de liefde loont, zonder loon te verwachten of na te streven.

Brengt de mens die zondaar is en blijft dat op? Nee, zeker niet, maar deze liefde is Gods mogelijkheid met en in de mens als ‘Machttat des Heiligen Geistes’ (KD IV-2, 890). Van prestatie of verdienste is geen sprake. Afziende van elke pretentie en intentie geeft de liefhebbende mens alle eer aan God. ‘Soli Deo gloria’. In die hem overkomende en bezielende kracht van de liefde, die ook dan ‘uit God’ is, wordt de mens bevrijd uit zijn gedurige bekommernis en zorg om zichzelf. Met een waarlijk vrij en vrolijk hart looft hij de Heer door Hem en de naaste lief te hebben met al wat in hem is.

Rens Kopmels

(In de Waagschaal, jaargang 47, nr. 5. 28 april 2018)