En God koos de mens

logoIdW

Barth voor beginners VI

 

Het eerste deel van Barths Kirchliche Dogmatik verscheen in 1932 en behandelde samen met het volgende deel (1938) ‘De leer van het Woord van God’. Dat klonk tamelijk formeel. Toch was het duidelijk dat Barth een nieuwe weg insloeg, niet alleen ten opzichte van zijn eigen, meer tastende spreken over God en mens uit de jaren twintig, maar met name ten opzichte van het spreken van de negentiende eeuw met haar, zoals hij dat noemde: ‘natuurlijke theologie’ – in de klauwen waarvan Barth eigenlijk de hele theologie uit die dagen nog steeds gevangen zag. Wat op het eerste oog ‘formeel’ mocht klinken, was bij nadere beschouwing dan ook bedoeld als ‘zakelijk’. Dogmatiek is een zakelijke discipline waarin het Woord van God nader wordt begrepen. Deze inzet speelde Barth uiterst scherp. Alles cirkelde om een nieuw doordenken van God als de Heer-in-zijn-openbaring, als een volledige daad van vrijmacht, onafhankelijk van de al dan niet gelovige mens. Dat maar liefst de eerste vijf bijdragen uit deze serie gingen over stof uit deze eerste twee delen ‘KD’, toont aan hoeveel dit nieuwe spreken over God onmiddellijk overhoop haalde.

Tot die ‘zakelijke wending’ van Barth behoort ook het aanknopen bij de traditionele christelijke dogmatiek. Zo verschijnt in 1940, het tweede oorlogsjaar, in het kader van de Godsleer een deel over God en zijn eigenschappen, waarbij in de eerste plaats zijn liefde en vrijheid in hun realiteit voor ons mensen de dienst uitmaken. Twee jaar later verschijnt dan band II/2, waarin Barth de traditionele stof over de uitverkiezing dringend nodig heeft – maar eveneens omgooit.

 

II

De Bijbel spreekt van uitverkiezing. We denken aan Gods uitverkiezing van Israël dat “uit alle volken op de aardbodem [is] uitverkoren om zijn eigen volk te zijn.” (Deut. 7:6) Israël wordt apart genomen te midden van de andere volken om een “koninkrijk van priesters”en “heilig volk” te zijn (Ex. 19:6). We denken aan de twaalf leerlingen van wie Jezus zegt: “Niet jullie hebben Mij, maar Ik heb jullie uitverkoren” (Joh. 15:16), en aan alle “heiligen” van wie het heet: “Hij heeft ons immers in Hem uitverkoren voor de grondlegging van de wereld” (Ef. 1:4). Dat God onderscheid maakt tussen mensen, dat Hij deze en gene roept tot een speciale dienst en gehoorzaamheid, ja, dat Hij de één meer liefheeft en zegent dan de ander; dat Hij ook mensen verwerpt en haat, en dat wij in dit alles aan Hem zijn overgeleverd en dit tot heil van allen is – dat hoort bij die God van Israël.

Dit Bijbelse spreken roept onmiddellijk de vraag op naar de rol van de mens als object van en antwoordend wezen op deze uitverkiezing. In hoeverre zijn wij een instrument zonder vrije wil? Dat lijkt in Erasmus’ spoor het grote schrikbeeld te zijn van de moderniteit. Kan Israël, kan de kerk, of een mens, zijn of haar eigen uitverkiezing ongedaan maken, doordat hij niet aan zijn roeping beantwoordt? (Ook Judas was volgens het evangelie uitverkoren!) Maar onder dit alles ligt nog essentiëler de vraag in hoeverre God uit eigen vrije wil, van eeuwigheid her zogezegd, op zijn uitverkiezing terug kan komen, in die zin, dat zijn uitverkiezend spreken en handelen – aan Israël, aan de discipelen, aan allen die Hij erbij geroepen heeft – altijd een spreken in begrensde tijd en ruimte is geweest, waarachter een eeuwig, laatste oordeel gaat verborgen dat geen enkel mens nog kent. Weten wij uiteindelijk waartoe wij zijn geroepen? Wat uitverkiezing is? Kan iemand zonder met zijn ogen te knipperen ooit zeggen: ik ben een kind van God? Met name rondom Gods trouw aan Israël wordt hier een grote diepte gepeild én vliegt de vlam nogal eens in de pan.

Dat dogmatici doorgaans voorzichtig zijn in het te gelde maken van de leer van de uitverkiezing, en liever op het empirische vlak van het geloof en de voorzienigheid en ‘goede werken’ blijven, heeft alles te maken met de terechte huiver Gods eeuwigheid al te enthousiast het tijdelijke in te dragen. Augustinus bijvoorbeeld zette Gods uitverkiezing in tegen elke hoogmoed en tot troost en volharding van de aangevochtenen, maar wilde een kerk van gelovigen én ongelovigen. Calvijn, berucht om zijn ‘dubbele uitverkiezing’ van verkiezing én verwerping, erkent deze wel tot eer van God, maar behoedt zich ervoor ermee te gaan schermen buiten het geloof om. Toch pakt Barth in zijn Godsleer (§§ 32-35) de meest agressieve lijn van de gereformeerde uitverkiezingsleer op en plaatst haar daarmee (anders dan Calvijn) in 1942, te midden van alle anti-Joods- en oorlogsgeweld, vóóraan in zijn dogmatiek – als de trompetsalvo aan het begin van Sjostakovtisj’ eerste pianoconcert. Waarom?

 

III

Barth begint met een geniale, maar ook verbijsterende zet. Hij neemt de leer van de ‘dubbele uitverkiezing’, die als een soort zwaard van Damocles boven ieder mens hangt weg, en betrekt haar op God zelf. God heeft in Jezus Christus zijn eeuwig besluit tot verwerping van de mens zelf gedragen om, in alle innerlijke vrijheid, niets anders dan een God van genade te zijn. Zó heeft Hij besloten al vanaf den beginne God te zijn: God die “de verwerping van de mens met al haar gevolgen op zich zelf neemt en de mens verkiest tot deelname aan zijn eigen heerlijkheid.” In Jezus Christus heeft God dus voorgoed de mens gekozen. Even verbijsterend is dan de uitverkiezing die daarop volgt: Israël en de kerk vormen samen Gods gemeente, onafscheidelijk met elkaar verbonden. Daarbij moet Israël door middel van zijn geschiedenis van ongeloof en vervolging “dienstbaar zijn aan de uitbeelding van het goddelijke gericht” en de kerk door haar geloof “aan de uitbeelding van de goddelijke ontferming”, als de genade die juist alle ongeloof en vervolging overwint en nietig verklaart. We zien God in Jezus Christus dus door de spiegel van Israël en de kerk. In § 35 verschijnt tot slot de enkeling. Wat kan ook hij feitelijk anders zijn, dan uitverkoren tot het heil?

Barth noemt de uitverkiezing “die Summe des Evangeliums”, en dat is begrijpelijk als we zien hoezeer hij het gewicht hiervan legt binnen God zelf. God heeft in Jezus zichzelf van eeuwigheid af tot een betrouwbare partner gekozen, en daarmee ook de mens voor altijd als zijn partner verzekerd. Echter: om hiertoe te komen lijkt Barth het Bijbelse spreken van uitverkiezing als een verkozen worden in tijd en ruimte, mét alle nuanceringen die daarbij horen, wel geheel te moeten negeren. Al vóór de schepping is de mens absoluut verkozen en even absoluut is zijn verwerping reeds vàn hem genomen. Barth speelt daarmee hoog spel. Hij heeft de diepste vraag van de verkiezing, namelijk de vraag naar Gods vrijheid in en onder elke verkiezing, om ‘zich te ontfermen over wie Hij zich wil ontfermen’ (vgl. Rom. 9:15), opgepakt, mét de hem zo kenmerkende moed (nood) om op het vlak van de geschiedenis de mens eerder te zien als verworpen dan als verkoren. Maar hij heeft deze ‘nihilistische blik’ tegelijk enkel aangedurfd, na de mens eerst te hebben verzekerd van een eeuwige plaats bij God.

Komt deze herschikking van de stof voort uit een geloof in Gods overvloedige goedheid voor de mens, overvloediger dan bij Calvijn en zijn nazaten? Is zij een dogmatische noodmaatregel om, hoe abstract ook, in 1942 onze laatste humaniteit in God te bewaren? Beide aspecten lijken in Barths theologie telkens samen te gaan, alsof de mens, nee, de wereld, volledig is verworpen en tegelijkertijd volledig is gerechtvaardigd. Is een grotere eer voor God denkbaar?

Toch dient de vraag zich aan of Bijbelse uitverkiezing niet iets anders op het oog heeft: dat de één wordt apart genomen om, tot op het kruis, anders te zijn dan de anderen. “Want velen zijn geroepen, maar weinigen uitverkoren.” (Mat. 22:14)

Wessel ten Boom

Literatuur:
Karl Barth, Kirchliche Dogmatik II/2, 1-563
Wessel ten Boom: Karl Barth, De verkiezing van de gemeente (§ 34 vertaald en toegelicht)