Een bezoek aan West-Papua

logoIdW

(een halve eeuw In de Waagschaal, aflevering 8)

In nummer 8 drukten we in de rubriek ‘Een halve eeuw In de Waagschaal’ een artikel uit de jaargangen 35 t/m 39 (2006-2010) af. Daarmee sloegen we de jaren 2001-2005 over. De reden daarvan was dat een bepaald artikel uit de jaargangen 30 t/m 34goed paste in het themanummer over Indonesië, maar in dat nummer bleek bij nader inzien geen plaats. Schrijfster van dat artikel is Marie-Claire Barth-Frommel.

Al in 1956 werd Marie-Claire Barth-Frommel door de Basler Mission naar Indonesië uitgezonden. Eerst voor het studentenwerk, later als docent Oude Testament aan de Sekolah Teologi Tinggi (STT, theologische hogeschool) in Jakarta. Daar leerde zij Christoph Barth kennen, een van de zonen van Karl Barth. Zij traden eind 1957 in het huwelijk. Marie-Claire Barth schreef verschillende commentaren op oudtestamentische boeken in het Indonesisch. Christoph Barths op barthiaanse leest geschoeide dogmatiek werd in de periode dat ik zelf aan de STT INTIM in Makassar doceerde nog altijd gebruikt. In 1963 keerden beiden naar Europa terug, maar met name na de dood van haar man in 1986 bezocht Marie-Claire Barth Indonesië veelvuldig en bleef dat tot op hoge leeftijd doen. Het tekent haar levenslange intense betrokkenheid bij Indonesië en de ontwikkelingen in dit land.

Marie-Claire Barth gaf colleges, lezingen en seminars aan theologische hogescholen, kerken en andere instellingen. Zij maakte zich met name sterk voor de positie en emancipatie van vrouwen en als ‘grand old lady’ was zij een voorbeeld en grote steun voor ieder die zich in kerk, school en samenleving inzette voor de positie en rechten van vrouwen. Haar naam wordt in Indonesië dan ook met dankbaarheid en eerbied genoemd. Marie-Claire Barth-Frommel overleed op 22 december 2019 in Bazel op 92-jarige leeftijd.

In de nieuwe jaargang 31 schreef zij naar aanleiding van een bezoek aan West-Papua twee artikelen. We nemen hier het tweede artikel over. Het is een uitstekende uiteenzetting van de complexe en vaak gespannen verhoudingen tussen economische, militaire, religieuze, sociale en etnische krachten die niet alleen in Papua, maar in de hele Indonesische samenleving een rol spelen en vaak hun tol eisen. Het artikel, geschreven in mei 2002, verscheen in oktober van dat jaar en werd vertaald door A.A. Spijkerboer.

Jilles de Klerk

Zoals de Alpen is het eiland Papua ontstaan door het op elkaar stoten van twee aardschollen (die van de Stille Oceaan en de Australische). Hoge bergen en ontelbare heuvels zien er vaak uit als slapende oerdieren, die door diepe dalen van elkaar zijn gescheiden. Er zijn meren met veel armen en inhammen (bijvoorbeeld het Santani-meer) en zijstromen, die elk een eigen karakter hebben. Hier ligt een bijna afgesloten inham met spiegelglad, flessengroen water, daar rimpelen golven het open meer, ginds zijn kleine eilanden met hoge bomen, elders strekken heuvels zich tot ver in het meer uit, die alleen met dun gras zijn begroeid, verderop dalen met bomen begroeide bergen steil naar de oever af.

Op een warme zondagmiddag trok een sluier van witte wolken over de hemel. In het oosten en het westen stapelden hoge cumuluswolken zich op; zwarte wolkjes zeilden in de wind en veranderden steeds hun vorm. Eén keer scheen de zon een paar minuten en kleurde het water diepblauw, toen verborg de zon zich achter een gekartelde regenwolk en kleurde het water grijs als leisteen. In de avondschemering glansde de hemel in goud en roze, het meer leek op parelmoer. Kleine, zwarte vissersboten voeren uit; langzaam losten de wolken zich op, de hemel werd vaal en eerste sterren en de lichten van de dorpen begonnen te schijnen. Het land is wondermooi en laat de mensen altijd weer nieuwe krachten opdoen.

Sinds de eerste januari heeft Irian Jayja onder de nieuwe naam West-Papua de status van een provincie met bijzondere autonomie. De regering in Jakarta wil daarmee het gebied in de republiek houden en de ontwikkeling ervan bevorderen. Helaas werpen de schendingen van de mensenrechten door het leger en in het bijzonder de moord op de grijze voorzitter van het Papua-congres, Theys Eluay, in oktober 2001, donkere schaduwen op de toekomst. Niemand vertrouwt Jakarta; de regering houdt vast aan haar mening: oefent het leger geen willekeurig geweld meer uit en wordt de economische situatie beter, dan is alles goed. De Papua’s worden als onderdanen behandeld, maar zij eisen een open dialoog over politieke, culturele en ontwikkelingspolitieke vraagstukken. Het is bewezen dat de mannen, die Irian in 1969 tot een Indonesische provincie maakten, door Jakarta gemanipuleerd werden en in zoverre illegaal handelden. Dus eisen de Papua’s een referendum. Ze weten allemaal dat daarmee het besluit genomen zou worden zich van Indonesië af te scheiden. Dat kan en wil de regering niet toelaten, want dan zouden andere gebieden in Oost-Indonesië hetzelfde recht opeisen. West-Papua heeft rijke reserves aan goud, koper en olie. Er wordt dus onderhandeld over de voorwaarden voor de gedeeltelijke autonomie waartoe besloten is; niemand weet welke concessies Jakarta uiteindelijk zal doen. De regering heeft andere zorgen, de Papua’s maken maar 0,5 % van de bevolking uit. Vanuit een centralistische traditie vindt Jakarta het moeilijk zich in te laten met een democratisch proces. Daar komt bij dat de strijdkrachten de macht hebben en dat de meeste politici te koop zijn.

Voeg daarbij de ‘troebelen in Oost-Indonesië’. Sinds drie jaar worden de sociale, etnische en godsdienstige spanningen door provocateurs gebruikt om gewelddadigheden aan te wakkeren. Was het eerst zo dat individuele daders aan het werk waren of dat delen van het leger openlijk partij kozen, nu is de ‘laskar Jihad’ in actie. Het gaat daarbij om een paramilitaire organisatie, die van Indonesië een Islamstaat wil maken en blijkbaar onbeperkte middelen ter beschikking heeft. De grote meerderheid van de moslims is ervan overtuigd, dat ieder zich mag aansluiten bij de islamitische richting van zijn keuze en dat de pluraliteit van de opvattingen bevorderlijk is voor het godsdienstige leven. De Jihad-beweging is er daarentegen fanatiek van overtuigd dat zij alleen de waarheid vertegenwoordigt, dat zij alle moslims moet bekeren en dat ze andere gelovigen moet overwinnen. In deze tijd komen steeds meer ‘laskar Jihad’ West-Papua binnen, hoewel de grote meerderheid van de bevolking bij een kerk hoort. Op Ambon vernielen ze dorpen om ‘separatistische “machten” te bestrijden’. Deze zogenaamde separatisten zijn echter vertwijfelde inheemse christenen en moslims, die eindelijk zonder inmenging van buiten in vrede zouden willen leven. Als de ‘laskar Jihad’ en een groot deel van het leger teruggetrokken worden, zou verzoening mogelijk zijn.

Aan de ene kant engageert de regering zich voor de vrede (vredesonderhandelingen voor Poso van december 2001 en de Molukken in januari 2002) en brengt ze ordetroepen in groten getale in het veld. Aan de andere kant laat ze de ‘laskar Jihad’ de vrije hand. Wie zit er achter deze ‘laskar’? Waar komen de plannen, het geld en de wapens vandaan? Welke strijd om de macht wordt er in de politieke en militaire elite gevoerd? Wat staat ons te wachten? Deze vragen blijven onbeantwoord.

Hoewel de Indonesische munt – de rupia – zich langzaam herstelt, breidt de armoede zich verder uit en stijgt het aantal werklozen. Veel ouders kunnen voor hun kinderen geen schoolopleiding meer betalen. Het Internationale Monetaire Fonds eist dat de prijs van brandstoffen nog een keer wordt verhoogd; er komt een nieuwe golf prijsverhogingen, de lonen zullen niet stijgen, de bevolking verarmt steeds meer. Iedereen vecht om te overleven, en toch leven de mensen, ze nemen contact met elkaar op, zijn blij met kleinigheden en lachen.

Er zijn ook tekenen van hoop; steeds meer gelovigen van de verschillende godsdiensten willen de scheidslijnen overwinnen, die in de laatste decennia zo vast zijn komen te liggen, en zoeken naar mogelijkheden zich gezamenlijk te wijden aan het heil van allen. Zo heeft de grote, gematigde islamitische partij van de vroegere voorzitter van het parlement, Abdul Rahman, zich opengesteld voor niet-moslims en werkt ze in het parlement samen met andersgelovigen. De staatshogescholen voor islamitische godsdienst en christelijke theologische faculteiten werken in sommige plaatsen samen. Er worden plannen gesmeed om het misbruik van drugs, de sociale wantoestanden en de vernieling van het milieu te bestrijden. Steeds luider klinkt de roep dat de godsdienstige gemeenschappen in deze chaotische wereld ethische richtlijnen moeten opstellen en de gelovigen moeten helpen om een respectvolle en verantwoordelijke houding aan te nemen. Niet bekering wordt gevraagd, maar een ommekeer naar een manier van doen die vriendelijk is voor het leven. Daarvoor is ook onze medewerking vereist.

Ik was uitgenodigd om naar Ambon te komen, maar de stad is voor alle buitenstaanders gesloten; dus ben ik langer in Jakarta, woon ik bij mijn ‘adoptief’ zoon en zijn vrouw, ontmoet vrienden en verbaas me erover hoe mensen ondanks alle moeilijkheden toegankelijk blijven. Binnenkort ben ik weer in Bazel en ik verheug me erop familie en vrienden weer te zien. Natuurlijk breng ik ook opdrachten mee, die veel werk aan de schrijftafel zullen vergen, maar ook dat is een geschenk.

 Marie-Claire Barth-Frommel

In de Waagschaal, 50e jaargang, nr. 10. 16 oktober 2021