Drempelgebed

Altijd hadden wij nog voordeel
Altijd een kleinigheid achter de hand
Altijd lagen buiten het dorp nog
runderlapjes niemandsland
Altijd hadden wij nog olie,
altijd rijweg na het bordje Stop
en steeds als O. een punt gezet had
pakte A. de draad weer op
Altijd kon je nog een vest aantrekken
Altijd lag er nog een pleister in de la
Wat er ook ten einde kwam,
altijd was er koffie na.

En zelfs na kilometers lopen
is ook de laatste centimeter nog
een afstand die je overbruggen moet
ruim genoeg voor een kleine voet.
Het is dus niet waar dat hier een drempel ligt
Het is dus niet waar dat wij zijn aangespoeld,
dat nu het einde nadert, dat wij zijn uitvergaderd,
uitgelezen, van ons akkertje verdreven;
wij slaan alleen het blaadje om
en tellen verder waar wij zijn gebleven.

Of is de wind die ons op deze blokken blaast
Uw wind, het vuur dat achter ons het schip verbrandt
Uw vuur, zijn de volken die ons op de hielen trappen
Uw volken, persen zij ons in Uw naam
tegen de rand van ons supportersvak?

Wacht dan niet tot wij het oecumenisch eens zijn
Neem ons vruchtvlees in Uw hand
Hef het hoog boven de zeedijk
Til het naar de andere kant
Waar land ligt spiegelglad als water
Leg ons daar behoedzaam neer
Zet ons uit
Zet ons aan
en laat ons gaan
als opgeheven sterfgeval
als vaarzen uit de winterstal
als kinderen met een nieuwe bal
als mensen zonder meer.

Udo Doedens

 

Verschenen in: In de Waagschaal, jaargang 52, nummer 1, 7 januari 2023