Diaconale depressie

logoIdW

Wie de arme geeft, zal geen gebrek lijden;

maar wie zijn ogen toesluit, wordt zwaar vervloekt (Spreuken 28:27).

 

Kerkmensen geven graag. Daar staan ze om bekend. Maar het is de laatste tijd moeilijk om dat te doen met een zonnig humeur. Minstens eenmaal per twee weken gaat de bel en zie je al door het raampje in de voordeur dat er een jonge man of vrouw pal voor de ingang van je huis staat. Je hoort het ook, want als het een jonge man is, fluit hij er een luidruchtig liedje bij. Zodra je de deur hebt geopend, krijg je een hand. ‘Goeiemiddag meneer’, roept de bezoeker met een lach alsof hij een publiek voor zich heeft van dertig rijen dik, ‘lastig, hè, al die mensen aan de deur.’ Je stamelt wat, maar de spreker is al een paar zinnen verder. Dat het toch goed is dat je hebt opengedaan, want er gebeuren verschrikkelijke dingen in de wereld. Flap, daar klapt een tablet open. Flits, flits, de colporteur wappert een paar dia’s langs van zieke kinderen of donkere mannen met mitrailleurs. ‘Stichting X, vroeger Stichting Y – die kent u wel – vindt dat het uit moet zijn met ziekte en geweld. En u?’ ‘Ja,’ mompel je, ‘dat zou mooi zijn.’ ‘Weet u wát mooi is’, kopt de jonge idealist in, ‘dat u er iets aan kunt doen. Voor 8 Euro per maand kunt u twee zieke kinderen een infuus geven en voor 15 Euro ruimen we namens u 200 mijnen op.’

Ik zal dit gesprek niet verder beschrijven. U weet hoe het afloopt. Je voelt je gegeneerd en moreel gechanteerd. Je ergert je geel aan de onbeschofte apostel van het goede doel, maar er is geen mogelijkheid om aan deze gevoelens toe te geven zonder moreel het onderspit te delven. Tegen beter weten in vraag je nog of er misschien een collectebus is en of je eenmalig iets kunt geven, maar drie minuten later zit je al in dezelfde tablet waar eerder die griezelige plaatjes op verschenen. Van nu af zal er elke maand een ellendig mailtje binnenkomen van Stichting X waarin jij, meneer Doedens, namens Kibale (4) en Mingwa (6) wordt bedankt voor hun genezing en voor het feit dat ze nu kunnen voetballen op een veldje waar eerst 200 mijnen lagen.

Ik vraag me af: is in de strijd voor een betere wereld alles geoorloofd? Zijn wij met z’n allen zo afgestompt dat voorheen eerbare goede doelen terecht brutale telefonisten inhuren en cynische collectanten bij ons aan laten bellen? Wat mij betreft wordt het tijd voor een nieuw keurmerk. Een keurmerk voor beschaafde fondsenwerving. En voor een sticker op de voordeur: ‘Ik geef niet onder dwang’. Of toont deze reactie nu precies aan dat ik alleen nog met het allergrofste geschut tot moreel besef te brengen ben?

Udo Doedens