De Opgestane in de poëzie van Geerten Gossaert

logoIdW

I

Menig prediker zal in de weken na Pasen zijn stof weer gekozen hebben uit de geschiedenis van de Emmaüsgangers. In dit artikel wil ik een beroemd gedicht van Geerten Gossaert bespreken dat hier op zijn minst een verwijzing naar is, maar ook op een onverwachte manier over de Opgestane spreekt, zoals we zullen zien. Maar eerst iets over de nu nog maar weinig gelezen dichter en zijn werk.

Gerrit Komrij gaf in zijn bekende bloemlezing vijf gedichten van Geerten Gossaert een plaats.[1] Dat is de helft van Achterberg, maar diens oeuvre was vele malen groter en zijn naam veel bekender. Relatief veel ruimte krijgt Gossaert dus van Komrij. Wie was hij en wat is de thematiek van zijn gedichten? Geerten Gossaert (pseudoniem van F.C. Gerretson, 1884-1958) publiceerde één dichtbundel: Experimenten. Deze verscheen in 1911 en bevatte toen 20 gedichten. Steeds opnieuw breidde Gossaert de bundel uit. De definitieve twaalfde editie (1954) bevatte 60 gedichten. Deze ene dichtbundel omvat zodoende gedichten uit een halve eeuw (ongeveer 1900-1950).

De titel ‘Experimenten’ verwijst naar Gossaerts poëticale opvattingen. Hij wil niet experimenteren zoals anderen in zijn tijd doen – los van en tegenover de traditie – maar zo, dat de oorspronkelijke bezieling van het klassieke vers herwonnen wordt. Hij noemt zich een ‘kleinzoon van het Réveil’ en wil aansluiten bij diens vader, Willem Bilderdijk en zijn geestelijke zoon, Da Costa – beiden ook dichters. Een zuiver gebruik van het klassieke lijkt hem beter dan valse originaliteit. De thematiek van Gossaerts gedichten is het verlangen naar harmonie. Gossaert zoekt ‘vrede’ tegen de ‘onrust’ van het ‘hart’ in – allemaal kernwoorden in zijn werk. Door middel van antithesen wordt de disharmonie uitgewerkt, van waaruit het verlangen opvlamt. Dit verlangen kan zich wel eens richten op het aardse, maar vindt daarin uiteindelijk geen bevrediging. Bevrediging is er in dit leven in het geheel niet, of hooguit momentaan. Echt bevrediging van het met het menszijn gegeven verlangen en de weemoed is er pas door de dood heen, in God. Het leven hier op aarde is ‘ballingschap’, ‘ellende’ en de terugkeer naar huis vormt dan ook een centraal motief in Gossaerts werk. Enkele centrale gedichten behandelen de thematiek van de verloren zoon.

Omdat het verlangen in dit leven niet bevredigd kan worden, kan Gossaert zich soms ook uiten in ontkenning of walging over dit leven, zoals in het gedicht ‘Euphorion’ waar hij spreekt over ‘dit diepverdoemd bestaan’. Volgens Jaap de Gier, waarschijnlijk Neêrlands grootste kenner van het werk van Gossaert[2], betreft het hier een element uit zijn vroege gedichten, dat in de latere niet meer zo past. Dat lijkt mij de vraag. Hetzelfde geldt voor de ‘frivole verzen’ die er ook zijn, zoals ‘In meretricem nimis immaturam’ – ‘Aan een al te jeugdige hoer’. Deze verzen achten velen eveneens in strijd met de hoofdteneur van de bundel. Ook dit hoeft echter niet het geval te zijn, wanneer men het momentane ervan maar duidelijk ziet. Gossaert combineert hier zaken die ook bij Prediker gecombineerd worden: een diepe weemoed, die zich kan uiten als walging maar die ook én juist daarom het vermogen heeft om van het zeldzame goede moment haast platvloers te kunnen genieten.

Weinig gedichten in de bundel zijn direct christelijk. Dat geldt echter wel van het gedicht dat we hierna bespreken.

 

II

 Libera Nos, Domine![3]

 De wind woei om het eenzaam huis
In ‘t laatste avonduur;
Toen lichtte een vreemde de klink der deur
En zat bij ‘t open vuur.

Ik dierf niet vragen wie hij was
En hij gaf teken noch taal;
En ik noodde hem niet, maar hij zat aan
Naast mij aan ‘t avondmaal.

 Mijn lippen trilden en in mijn hart
Laaide hittige haat;
Maar hij glimlachte en hief tot mij
Zijn bitterschoon gelaat.

En ‘k sprak en zei: Ik kèn u niet!
Wat, aan mijn haard, zoekt gij?
Doch hij antwoordde niet, maar hief zijn hand.
En brak het brood met mij.

En ik herkende…; ‘s morgens vroeg
Is hij weer heengegaan…
Maar ‘t laatste van dit bitter lied
Zal God alléén verstaan.

Dit gedicht vertoont opvallende overeenkomsten met het verhaal van de Emmaüsgangers uit Lucas 24. Het lijkt een bewerking van deze verschijning van Jezus na Zijn opstanding. Zowel in het bijbels verhaal als in dit gedicht is er sprake van een ‘vreemde’ (r. 4) die aanvankelijk niet herkend wordt. Bij beide ook vindt de herkenning plaats na het zegenen en breken van het brood (r. 18).

Toch zijn er ook duidelijke verschillen: er is sprake van een ‘eenzaam huis’ (r. 2) waar slechts één persoon (de ik-figuur) woont wiens naam niet wordt genoemd; de vreemdeling komt onverwacht binnen, terwijl de hoofdpersoon al binnen is (r. 4); de vreemde wordt niet genodigd, maar gaat toch aan tafel zitten (r. 8); de hoofdpersoon haat de vreemdeling (r. 11) en wil niets met hem te maken hebben (r. 14); de vreemde is niet meteen weg na de herkenning, maar blijft tot de volgende morgen (r. 18-19). En dit alles wordt uiteindelijk een ‘bitter lied’ (r. 20) genoemd.

Daarom is het begrijpelijk dat Gossaert zelf gesteld heeft[4] dat de vreemde in dit gedicht helemaal niet Christus is – maar Satan. Een verwijzing daarnaar is dan de titel: ‘Libera Nos, Domine!’ (Verlos ons, Heer!) Achter deze titel gaat een regel schuil uit het Onze Vader in het Latijn: ‘Libera nos a malo’, wat betekent: ‘Verlos ons van de boze.’ De titel geeft ons dus de sleutel, die de bovengenoemde verschillen verklaart. De Satan komt binnen en dringt zich op aan de mens die zich verzet. De ‘ik’ heeft wel een vermoeden wie de onbekende is en zegt daarom: ‘Ik kèn u niet!’ – niet in de zin van: ‘Ik weet niet wie u bent’, maar in de zin van: ‘Ik wil u niet! Ik wil geen relatie met u hebben!’ En toch volgt dan de afgedwongen herkenning. De mens moet zijn verzet prijsgeven en erkennen dat hij toch ergens het kwade zelf ook wil. Dan kan de boze nog blijven de gehele nacht – waarover uit diepe schaamte gezwegen wordt. Wat er toen gebeurd is, mag alleen God verstaan.

Het gedicht van Gossaert is in deze, door Gossaert zelf ondersteunde interpretatie, geen vrije bewerking van het Emmaüsverhaal, maar de tegenhanger ervan. Het vertelt van de komst van Satan in een mensenleven. Het is een bitter lied, dat vertelt dat de mens zich wel soms wil verzetten tegen het kwaad, maar moet erkennen dat hij de Boze ook wil. Diens gelaat is bitter, maar ook schoon.

 

III

Toch is het de vraag of met deze interpretatie het laatste woord gezegd is. Kunnen de verschillen met Lucas 24 werkelijk niet gelezen worden als een herschrijving van de ontmoeting met Christus? In dat geval gaat het gedicht over een dubbele verhouding van de ik-figuur tot Christus. Enerzijds haat hij Hem, en zegt hij: ‘Ik ken u niet’. Anderzijds dringt Christus zich toch aan hem op, en herkent hij Hem. We kunnen dit ondersteunen met andere gedichten van Gossaert waarin ‘het avondmaal’ (r. 9) voorkomt. Dit zijn twee gedichten over de thuiskomst van een verloren zoon: ‘Tanquam filius’ (Als een zoon) en ‘De verloren zoon’. Het avondmaal is – ook in Lucas 15, waar deze gedichten op gebaseerd zijn – een verzoeningsmaal; een bevestiging dat het weer goed is tussen vader (bij Gossaert ook: moeder) en zoon, die model staan voor God en mens. Daarom wordt ook uitdrukkelijk de term ‘avondmaal’ gebruikt: de in het protestantisme gebruikelijke aanduiding voor het sacrament van het Heilig Avondmaal, de Maaltijd des Heren.

Van daaruit zou het in dit gedicht toch om de verzoening tussen Christus en de ik-figuur moeten gaan. Het avondmaal is in dit geval echter niet de bevestiging van de herstelde relatie, maar de bewerking ervan. Jezus breekt het verzet van de ik-figuur en brengt hem tot de overgave aan Hem. Deze interpretatie kan ondersteund worden door de woorden ‘Ik ken u niet.’ (r. 14) In het evangelie worden deze woorden uitgesproken door Petrus, als hij na Jezus’ arrestatie herkend wordt als zijn discipel. Petrus verloochent Jezus dan driemaal door te zeggen: ‘Ik ken Hem niet’. Het is bij een ‘avondmaal’ dat de relatie dan weer hersteld wordt. En dat avondmaal vindt plaats bij een ‘open vuur’ (r. 5; Joh. 21). Ook het feit dat het hier niet gaat om de ontmoeting van Christus met twee personen maar met één, kan goed passen bij de ontmoeting met Petrus.

Ook de woorden ‘ik dierf niet vragen wie hij was’ (r. 6) kunnen verwijzen naar Christus na zijn opstanding. Het evangelie zegt dat de discipelen dan op een gegeven moment niet durven vragen wie Hij is, juist omdát zij het weten (Joh. 21:12). Zo is het ook hier: de ik-figuur weet heel goed wie binnenkomt (anders kan er aan het einde geen herkenning zijn), maar wil hem niet ontvangen. Men kan het ‘laatste’ van dit ‘bitter lied’ (r. 20) dan verbinden met de plaats waar eerder het woord ‘bitter’ voorkwam, namelijk: ‘bitterschoon’ (r. 13). Het laatste van het bittere lied is, dat het óók een schoon lied is. Maar dat kan alleen God verstaan. In dit leven is er niets dan de strijd met God, de strijd van verzet en overgave. Het leven is bitter, ook in haar strijd met God. Maar het einde van lied is schoon. Dit past precies bij de teneur van het hele dichtwerk van Gossaert, waarin het steeds draait om het verlangen naar vrede, die pas in het einde in God gevonden wordt.

Zo gelezen is dit gedicht dus niet de tegenhanger van Lucas 24, maar een vrije combinatie van Lucas 24 en de verloochening en het eerherstel van Petrus. Ik moet zeggen dat ik het gedicht zo ook veel mooier vind dan in de door Gossaert zelf aangegeven interpretatie. Volgens mij moeten we hem beter begrijpen dan hij zichzelf begrepen heeft. Of anders gezegd: zijn eigen gedichten begrijpen hem beter dan hij zichzelf wilde begrijpen.

 

Willem Maarten Dekker

[1] De Nederlandse poëzie van de 19e en 20e eeuw in 1000 en enige gedichten, Amsterdam 1987.

[2] Stichtelijke en onstichtelijke experimenten. Een onderzoek naar Geerten Gossaerts dichterlijke ontwikkeling en de samenstelling van zijn poëziebundel, Utrecht 1982.

[3] Licht gemoderniseerde spelling.

[4] Zie voor de bronverwijzingen de genoemde dissertatie van De Gier.