De kerk is meer dan verkondiging

logoIdW

De afgelopen nummers viel mij de eer te beurt, dat niet alleen gereageerd werd op mijn artikelen over Gods voorzienigheid, maar ook op mijn commentaar over de vrijheid van godsdienst, waarin ik de vraag stel of de kerk niet al te onbedacht de adviezen van de overheid opvolgt en doorgeeft aan de plaatselijke gemeenten. Inmiddels is de situatie na de incidenten op Urk en in Krimpen en na voortschrijdende vaccinatie alweer gewijzigd. Toch kan het nog zinnig zijn het gesprek voort te zetten, al was het maar omdat iedereen kan voorspellen dat botsingen tussen staat en kerk in de nabije toekomst vaker gaan voorkomen. We merken dat nu al aan hoe de staat omgaat met de meer traditionele opvattingen en vormen van islam én christendom. Niet alleen het islamitisch, maar ook het reformatorisch onderwijs ligt bij de staat en in de media onder een vergrootglas. Traditionele monotheïstische opvattingen over bijvoorbeeld man en vrouw, sekse en gender, die tot nu toe maatschappelijk verdragen werden, worden in de media en de publieke ruimte steeds minder geaccepteerd, en dat zal ook zijn invloed hebben op de overheid. Ik denk dat meer liberale christenen zich iets te rijk rekenen, als zij denken dat deze beweging hen niet zal raken. Uiteindelijk is het het godsgeloof zelf dat een aanstoot is voor de seculiere wereld. Dát bleek ook vooral in de incidenten op Urk en in Krimpen. Het valt voor de wereld moeilijk te verdragen dat er nog steeds christenen zijn in dit land, voor wie God het Allerbelangrijkste, zelfs belangrijker dan hun eigen gezondheid. Hoe bestaat het, ná de Verlichting, ná het postmodernisme, ná twee wereldoorlogen, ná Wolkers en Kousbroek en Philipse en alle andere beroepsatheïsten? Wat een ergernis dat het christendom nu nóg bestaat! Die ergernis is de echte oorzaak van de conflictjes, die nu even de straat hebben bereikt, en die zich anders op de sociale media en in de harten afspelen.

De reactie van At Polhuis op mijn commentaar is tweevoudig en dialectisch. Enerzijds stelt hij dat de maatregelen nu niet het hart van het kerk-zijn raken, en dus geaccepteerd moeten worden. Anderzijds stelt hij dat het wel zou kunnen dat de kerk zich teveel laat bepalen door de ideologie van het liberalisme, en dat dat nu ook blijkt. Hij komt er dus eigenlijk niet uit. Dat komt misschien ook omdat hij niet ziet hoe Karl Barth en vooral de latere ‘barthianen’ zelf al bepaald werden door een typisch moderne, zo je wilt liberale kijk op de kerk, die ook in Polhuis’ artikel te vinden is. Dit komt naar voren als hij schrijft: “De maatregelen maken het lastig, maar niet onmogelijk om in alle vrijheid het evangelie te verkondigen.” Dat is voor hem beslissend, en het lijkt een logisch en afdoend woord. Dat is het echter niet, omdat ‘kerk’ hier helemaal samenvalt met (plaats van) ‘verkondiging’, en dat is noch het Nieuwtestamentische, noch het klassieke beeld van de kerk. Het is een typisch moderne, op het individu gerichte benadering van de kerk. De beslissende metafoor voor de kerk in het Nieuwe Testament is echter ‘lichaam van Christus’. Daar zit zelfs niet direct het idee van de verkondiging in. Als het in de kerk uitsluitend om verkondiging zou gaan, heel kaal opgevat als het uitzenden van een boodschap, dan is de dominee zoiets als een nieuwslezer (ook als je dat theologisch ‘heraut’ noemt) en dan hebben we helemaal geen vrijheid van godsdienst nodig; dan hebben we aan de vrijheid van meningsuiting genoeg. Dan zouden we in deze corona-tijden ook met één dominee toe kunnen, die op zondag om 10 uur op NPO 1 het daartoe gezinde gehoor toespreekt. Klaar. Maar dat heeft met kerk-zijn nul-komma-nul te maken. Kerk is lichaam, is gemeenschap, en daarom gaat het in artikel 6 van de grondwet ook om veel meer dan vrijheid van religieuze meningsuiting. Het gaat om de vrijheid een religieuze gemeenschap te vormen. De reductie van de kerk tot ‘verkondiging’ is een theologische misser, die alleen onder de condities van de moderniteit kon ontstaan, en die zich wreekt in de huidige crisis.

Willem Maarten Dekker.

In de Waagschaal, jaargang 50, nr. 5. 1 mei 2021