De epidemie breekt los – herderschap breekt baan

logoIdW

Bijbellezen in tijden van corona

In het laatste hoofdstuk van het tweede Samuëlboek vindt Openbaring plaats. Een uit de voegen geraakt koninkrijk als gevolg van het handelen van een ontspoorde koning moet aan het licht komen. De samenleving wordt doorgelicht en koning David krijgt aan het eind van zijn leven een spiegel voorgehouden: hij had het herderschap waartoe hij geroepen was verzaakt. De Eeuwige speelt hier de bepalende rol. Hij is de bron van deze openbaring – hoe kan het ook anders – en neemt het initiatief: de ontwrichtende krachten binnen het Rijk van David brengt hij aan het licht. Tot Davids grote schrik.

Vanaf het eerste vers zien we de Eeuwige heel subtiel te werk gaan en worden de zaken direct op scherp gezet. Opnieuw ontstak de Heer in toorn tegen Israël. Hij zette David tegen het volk op met de woorden: Ga in Israël en Juda een volkstelling houden. De toorn richt zich op Israël maar David krijgt de opdracht om een volkstelling te houden van Israël en Juda. Dit geeft al aan dat er een oordelend onderscheid openbaar gemaakt gaat worden. Als gevolg van de volkstelling zal de reden van de toorn duidelijk worden. De ogen van David moeten geopend worden.

De volkstelling op zichzelf genomen is hier niet in het geding. Het initiatief komt bij de Eeuwige vandaan en niet bij David. Zou dit wel het geval zijn, dan zou dat kwaad betekenen. Het parallelverhaal in 1 Kronieken legt hier de nadruk op. Hier is het niet de Eeuwige maar satan die David aanzet tot de volkstelling. Er hangt immers altijd een kwaad luchtje rondom een volkstelling: de koning zou hiermee zijn (militaire) macht willen meten en daarmee zijn eigen positie benadrukken wat een gebrek aan godsvertrouwen impliceert. Dit is volgens 1 Kronieken 21:1-8 afkeurenswaardig.

Joab, die de telling moet uitvoeren, interpreteert de opdracht tot de volkstelling in de geest van 1 Kronieken 21. Hij ziet er een middel in om de macht van David in heel zijn Rijk – en wellicht zelfs meer dan zijn Rijk – uit te meten. Uit het vervolg zal blijken dat het de Eeuwige hier niet om te doen is. De lezer krijgt zand in de ogen gestrooid. Het zal om iets anders gaan. Niet de macht van David komt aan het licht maar zijn onmacht!

De volkstelling wijst uit dat er in Israël 800.000 weerbare mannen zijn, die de wapens kunnen hanteren en in Juda 500.000. Bij Juda wordt niet vermeld dat het om 500.000 ‘bewapende’ mannen gaat. De 800.000 mannen van Israël zijn wel bewapend en dat is vermoedelijk te interpreteren als de reden waarom de toorn van de Eeuwige ontbrandt. De telling van Israël en Juda heeft als doel een asymmetrie aan het licht te brengen – asymmetrie die op gevaar van instabiliteit wijst. Binnen het Rijk van David is een deel militair bewapend en een ander deel niet. Het rijk staat op scheuren. De kudde dreigt uiteen te vallen.

De ogen van David gaan open. De schrik slaat hem om het hart. David wordt zich via de statistieken bewust van de ongelijkheden in zijn rijk. ‘Ik ben een dwaas geweest’, zegt hij van zichzelf. Een dwaasheid die koning Saul en zijn tragisch einde in de herinnering roept (1 Sam 13:13). David heeft gefaald. Zijn rijk is verscheurd. Het doek valt.

In vers 11 wordt het doek weer opgetrokken: een nieuwe scène. De ziener Gad zoekt David op, hij heeft een bericht voor hem van de Eeuwige. De Eeuwige legt David drie dingen voor: of een hongersnood in het land die zeven jaar zal duren, of een vlucht voor tegenstanders die drie maanden zal duren of drie dagen pest in het land. David maakt geen keuze, wel zegt hij dat hij liever in de hand van de Eeuwige valt dan in die van mensen. Waarom? Omdat de barmhartigheid van de Eeuwige groot is. De Eeuwige zendt daarop de pest. Gaat het hier om een straf? Het wordt nergens gezegd. Gaat het hier om een ingreep die de aan het licht gekomen asymmetrie Israël-Juda uit de weg beoogt te helpen: tegen een epidemie zijn geen wapens bestand, een epidemie maakt geen onderscheid tussen gewapende en ongewapende mannen? Vragen.

Hoe dan ook, de tekst spreekt ons vandaag de dag wel bijzonder aan. De pandemie veroorzaakt door het coronavirus brengt ook bij ons een schok teweeg. Onze ogen gaan open voor de schrijnende ongelijkheden in onze maatschappij. Ze komen aan het licht. Ook dit is een openbaringsmoment dat op ‘dwaas’ menselijk handelen wijst. Statistieken, gebaseerd op tellingen, openen ons de ogen, zoals ook de ogen van David opengingen toen hij de getallen en de bijbehorende realiteiten vernam. Door het coronavirus worden we ons ervan bewust dat we dwaas gehandeld hebben en dat het nu radicaal anders moet, willen we de toekomst leefbaar houden.

Niet alles loopt keurig parallel. De verhalen uit de Bijbel zijn niet zomaar toepasbaar. Er blijft een afstand. In het Samuëlboek is het de volkstelling die de ongelijkheid aan het licht brengt en David de spiegel voorhoudt. Het gegeven van de pest komt erna, zo niet als gevolg, dan als vervolg. In onze tijd is het de pandemie – het coronavirus – die ons bewust maakt waar we dwaas gehandeld hebben. Dit wordt door tellingen en statistieken bevestigd. In het Samuëlboek geeft de Eeuwige de opdracht tot de telling. In onze tijd zullen wij de pandemie niet zo snel aan God toeschrijven. Daar huiveren wij voor. Onze ogen zijn er niet minder door geopend.

David komt tot inkeer. Hij ziet in dat hij fout gehandeld heeft waardoor breuken en machtsongelijkheden in zijn rijk ontstonden. David ziet dat hij ver van zijn oorspronkelijke roeping is afgedreven. In vers 17 lezen wij: Ik ben het die gezondigd heeft; ik ben het die een zonde heeft begaan. Maar deze arme schapen, wat hebben zij misdaan?

De koning spreekt weer over zijn volk als een kudde schapen. David is weer de messiaanse priesterlijke herder geworden, die omziet naar zijn schapen, zoals in het begin. Hij is bereid om zelf de schuld op zich te nemen. Het altaar dat hij bouwt ter verzoening, doet de plaag stoppen. Een crisis kan alleen overwonnen worden door inkeer en omkeer.

Jan-Albert Roetman en Caspar Visser ’t Hooft

Beide auteurs zijn als predikant verbonden aan de Eglise Protestante Unie de France in respectievelijk Lille en Arras

In de Waagschaal, jaargang 49, nr. 6. 30 mei 2020