De dood van Cruijff en de Nederlandse voetbalcultuur

logoIdW

Cultureel gewicht aflevering 13 (Johan Cruijff, Voetbal, Cruyff Library 2012)

 

We zijn er niet bij

Er is een groot voetbaltoernooi, een Europees Kampioenschap met voor het eerst 24 deelnemers. En ‘we’ zijn er niet bij. Johan Cruijff hoeft dat niet meer mee te maken. Hij stierf onverwachts en veel te vroeg, op 68-jarige leeftijd. Dat is menselijkerwijs te vroeg, te jong. Maar het is ook te vroeg voor Ajax met zijn onvoldragen Cruijff-revolutie en voor het Nederlandse voetbal in het algemeen. Je zou kunnen zeggen dat hij Ajax en de Nederlandse voetbalcultuur verweesd achterlaat, ware het niet dat Cruijff geen vaderfiguur is. Alleen bij Barcelona als coach van zijn eigen zoon Jordi is er soms iets vaderlijks te zien geweest. Verder is hij tot het einde van zijn leven jongensachtig gebleven, en dan vooral de opstandige, eigenwijze zoon. De uitdager van de gevestigde macht, hoezeer hij ook school heeft gemaakt in het Nederlandse voetbal.

Cruijff is dood en het Nederlandse voetbal, de Nederlandse voetbalcultuur ook, op sterven na dan. En ik zou er in onze culturele rubriek niet over durven schrijven als dat enkel een kwestie was van sportieve conjunctuur: het gegeven dat de ene generatie nu eenmaal rijker is aan talent en succes dan de andere. Voetbalwereld en samenleving zijn nog oneindig veel dieper en complexer verweven dan enkel door de miljoenensteun van lokale overheden. De geschiedenis van het Nederlandse voetbal loopt grotendeels parallel aan de economische en cultuurgeschiedenis van Nederland. Om een voorbeeld te geven: de Fortuyn-revolte vond plaats in de maanden voor een WK waarvoor Oranje zich niet had weten te plaatsen. Let wel: dat was een Nederlands elftal met louter wereldtoppers (Van der Sar, de De Boertjes, Kluivert, Van Nistelrooij, Davids), getraind door succestrainer Louis van Gaal. Oranje was kortom een serieuze kanshebber voor de wereldtitel, maar blameerde zich. Daardoor geen afleiding van brood en spelen, van de bal en het bier voor het volk, en des te meer frustratie en onvrede.

Wilders en Robben

Ook deze keer dat ‘we’ er niet bij zijn is er sprake van grote onrust, onvrede en onzekerheid in de samenleving. Voor dat laatste staat uiteraard de naam Wilders symbool met diens tieren tegen de teloorgang van Nederland. Oorzaak: de elite, de Islam, Europa en de Euro. Er zijn grote spanningen in de samenleving en weinig vertrouwen in overheid en politiek. Dit valt samen met de grootste crisis van het Nederlandse voetbal sinds de opkomst ervan eind jaren ’60. In de jaren ’80 miste Oranje weliswaar drie eindtoernooien op rij, maar destijds dienden zich ook de onmiskenbare supertalenten Gullit, Van Basten, Koeman en Rijkaard zich al aan.

In een paar jaar tijd is Nederland diep weggezakt. Nederland heeft op Arjen Robben na geen topspelers meer. Een aantal spelers is op z’n best Europese subtop. Onze buurlanden België en Duitsland hebben op vrijwel alle posities minimaal twee betere spelers! Hetzelfde geldt in mindere mate voor Engeland. Dat wil zeggen: vrijwel geen van onze internationals zou voor die landen zelfs maar geselecteerd worden. Zeker in verhouding tot België en Engeland was dat de afgelopen decennia altijd andersom.

Arjen Robben is geboren op 23 januari 1984 (en Van Persie en Sneijder – beide al min of meer uitgerangeerd – zijn ongeveer even oud). Er is dus sinds 1984 in Nederland geen voetballer meer geboren die de wereldtop heeft bereikt en zich daar heeft gehandhaafd. Geen van de talenten kwam verder dan de subtop en ook van de huidige talenten is onzeker of zij de top zullen halen. En bij de trainers is het vrijwel hetzelfde verhaal.

Paniek

Al ziet het er niet zo uit, omdat men weloverwogen ‘plannen van aanpak’ maakt en debatteert en columns schrijft, de Nederlandse voetbalwereld is in paniek. Iedereen praat, en iedereen is overtuigd van het eigen gelijk. Maar niemand overtuigt, niemand spreekt met gezag, en men komt geen stap verder. Het is dezelfde paniek met dezelfde oeverloze discussies als in de linkse politiek, in de vakbond en in de kerk. Iedereen debiteert diagnoses, meningen, visies en recepten. Maar met geen mogelijkheid is vast te stellen wat waar is en wat zou werken. Onontkoombaar dringt het gevoel zich op dat niemand het weet. Niemand heeft een oplossing.

En Cruijff dan? Hij beweerde inderdaad een remedie te hebben. Veel daarvan is terug te vinden in het boek Voetbal, dat in 2012 verscheen. Cruijff bezweert vast te houden aan – of nee: terug te keren naar de ‘Hollandse school’, naar de jaren ’70, de glorietijd van het Nederlandse voetbal. Het is voor de voetballiefhebber een heerlijk, bijna betoverend boek. Telegraafjournalist en Cruijff-spreekbuis Jaap de Groot heeft de visie van de meester prachtig opgetekend, en dat zonder de spreekwoordelijke onnavolgbare Cruijffiaanse stijl, terwijl het toch net is alsof je het hem hoort vertellen.

‘Het begint op straat’. Zo begint Cruijff het boek. Zo begon het voor hem. En voor Cruijff is voetbal een spelletje, een simpel spelletje dat je op straat leert. Vervolgens bespreekt hij allerlei facetten van het spel, technisch – dribbelen, en het passen, koppen en stoppen van de bal – en tactisch: dominant, aanvallend voetbal, uitgaan van balbezit en positiespel, met buitenspelers. ‘Zo zou voetbal gespeeld moeten worden’ luidt de titel van een van de hoofdstukken.

Conformisme

Tja, wie wil dat niet geloven? Wie is er niet groot mee geworden? Het is de Hollandse school pur sang. Maar kan dat nog werken? Is de wereld niet ook in het voetbal daarvoor teveel veranderd? Bij Ajax heeft de Cruijff-revolutie nog geen enkel tastbaar resultaat opgeleverd. Wel speelt Barcelona onmiskenbaar nog zulk voetbal. En de voormalige Barcelona-coach Guardiola doet het ook met Bayern München. Maar het zijn uitzonderingen, en er zijn absolute topspelers voor nodig. Bovendien springen bij Bayern ook de afwijkende kenmerken van het hedendaagse voetbal in het oog. Het voetbal is dynamischer en atletischer dan ooit te voren. Het spel golft heen en weer: ‘box to box’, van het ene strafschopgebied naar het andere. Dat vraagt van vrijwel alle spelers veel meer fysieke kracht en loopvermogen.

Daar heeft de Hollandse school nooit in uitgeblonken. In Cruijffs boek zoek je ook vergeefs een hoofdstuk over het fysieke. Groot geworden in de jaren ’70 gingen ‘we’ in Nederland altijd soeverein uit van onze eigen kracht, en dat was ons talent, onze superieure technische vaardigheid, onze durf en eigenzinnigheid. ‘We’ haalden het uit onszelf, het kwam uit het individu. Het was vaak ook artistiek voetbal, frivool, creatief: je wil opleggen aan de werkelijkheid. Nonconformistisch. Tactiek, training en discipline waren altijd ondergeschikt aan het individu. Dat zelfbewuste, of arrogante en typisch Nederlandse uitgaan van het eigen ik was een grote bron van kracht – en herhaaldelijk ook van conflicten.

In het topvoetbal van nu werkt dat niet meer (uitzonderingen als Messi daargelaten). Het vergt meer dan ooit discipline, hardheid, en krachttraining om er te komen. Jezelf dingen ontzeggen. Zelfopoffering. Gedrevenheid en volharding. Werken. Jezelf beter maken. Er wordt veel meer dan voorheen conformisme gevraagd: onderschikking aan een werkelijkheid waar je je eerst in moet voegen om daarin iets te betekenen. In één woord: ‘on-Nederlands’. Niet voor niets zijn Duitsland en België – landen met veel meer respect voor autoriteit, traditie en discipline – toplanden in het voetbal van nu. En de Belg Kevin de Bruyne mag dan het uiterlijk van een kostschoolleerling of koorknaap hebben, hij heeft ook de bijpassende ijver en toewijding. Dat – met uiteraard zijn talent – maakt hem één van de beste voetballers van dit moment.

Een tikkie terug of de steekpass

In het Nederland van nu wint de beweging ‘terug’ aan kracht, die soms zelfs neerkomt op een beweging uit de werkelijkheid zelf. Velen – zeker in het voetbalminnende deel der natie – willen geen Islam, geen vluchtelingen en AZC’s, geen Euro en geen Europa. En ja, ze willen natuurlijk het dominante, vrijbuiterige Nederlandse voetbal van weleer terug, kortom: restauratie van ‘onze’ voetbalcultuur. Het is een paradox, een onmogelijkheid: angstvallig en reactionair teruggrijpen op een progressief en vrijzinnig verleden. Daar lijkt ook Cruijff niet aan te ontkomen.

Niet alleen Johan Cruijff is dood en begraven, maar in laatste instantie met hem ook de Hollandse school, de Nederlandse voetbalcultuur. En als voetbal en samenleving inderdaad zo nauw met elkaar verweven zijn, is er nog veel meer dat op sterven na dood. Ik ben bang dat velen blijven hangen in de ontkenningsfase en op voet van oorlog leven met de werkelijkheid.

Het enige dat rest is aanvaarding, en vervolgens hopen op wederopstanding, in een nieuwe gedaante, door het offer, door het lijden en sterven heen. Of in voetbaltaal: het is terugspelen of diepgaan.

Coen Constandse