Abram, de vogelverschrikker (meditatie)

logoIdW

Toen de roofvogels neerstreken, joeg Abram ze weg (Gen. 15:11)

 

God heeft Abram uit zijn tent gelokt. Hij ontvangt een belofte te mooi om waar te zijn. Waaraan zal ik wéten dat ik het beërf, vraagt de vader der gelovigen? God antwoordt: Wil jij alles klaar maken om samen een verbond te sluiten? Abram doet het. In gedachten zie je hem in de weer met offerdieren en hoor je hem denken: Komt, want alle dingen zijn gereed. Maar er komt niemand. God niet. Andere mensen ook niet. Wel zijn er, zoals altijd en overal, aasgieren. Ze cirkelen in de lucht en wachten hun kans af. Maar Abram houdt de wacht. Is dat niet onze ultieme taak op aarde: wachtpost zijn? En God? Die is nog steeds niet verschenen. Soms lijkt geloven een grotesk spel. Je rent en draaft.  Je jaagt allerlei gieren weg. Maar van binnen vreet het, net als bij Abram. Hoezo vriend van God? Vogelverschrikker zul je bedoelen!

In Jeremia wordt de afgod vergeleken met een vogelverschrikker: ‘De volkeren hakken een stuk hout in het bos, een ambachtsman bewerkt het met zijn beitel, verfraait het met zilver en goud… Het is net een vogelverschrikker, neergezet in een komkommerveld. Het kan niet spreken en het moet worden gedragen, want zelf kan het geen stap verzetten. Heb voor beelden geen ontzag, kwaad doen ze niet en goed nog minder’ (Jer. 10:3-5). Gelden die woorden ook voor de God van Abram? Uiteindelijk lijkt de aartsvader het op te geven. Hij is uitgeput van spanning en moedeloos van vergeefs wachten.

Het is pas diep in de nacht als God verschijnt. En als God verschijnt, gaat hij alleen door de straat van bloed, neemt alleen alle verplichtingen op zich. Wij zouden denken: het kan toch niet van één kant komen? Maar God neemt de volle verantwoordelijkheid. Ons geloven is niet echt indrukwekkend. We draven wel, maar is het meer dan het wegjagen van wat roofvogels? Abraham ging slapen met nog steeds dezelfde vraag: hoe zal ik weten dat zijn woorden waar zijn?  Het is uiteindelijk de Heer zelf, die handelt, zij het diep in de nacht, zij het compleet in het verborgene. Maar daar en dan wordt – extra nos – het heil bewerkt.

Kerkvader Augustinus schrijft ergens dat hij geen bisschop wenst te zijn die op zijn troon zit als een vogelverschrikker die zijn taak vervult door onbeweeglijk in een veld te staan…. Mogelijk is hij daarbij geïnspireerd door Jeremia. Of staat Abram als vogelverschrikker toch dichterbij het ambt dan Augustinus dacht?

 

Peter Verbaan