Het pacifisme van Bonhoeffer

logoIdW

In zijn brief aan Gandhi noemt Bonhoeffer Karl Barth de grootste theoloog in Duitsland van dat moment. Toen Bonhoeffer dat in oktober 1934 schreef had hij vermoedelijk ook de onder invloed van Barth opgestelde thesen van Barmen in het geheugen. Deze verklaring werd in mei van dat jaar vastgesteld. Het was een daad van verzet tegen het opkomende Hitler regiem.

In zijn heldere artikel beschrijft Den Hertog dat Bonhoeffer in zijn verzet tegen Hitler zocht naar een manier om de overheidsmaatregelen die tegen het evangelie ingaan met geweldloze weerbaarheid te beantwoorden. Om dat te leren schrijft hij in 1934 Gandhi.

Bij Barth krijgt het verzet een andere kleur. In zijn bekende brief aan Hromadka uit 1938 roept hij christenen in Tsjecho-Slowakije op de wapenen op te nemen. Dat hoort volgens Barth op de instemming van de christelijke kerken te rekenen.

De verschillende keuze van hen beiden verwijst naar de oude, nooit opgeloste vraag of christendom, christelijke praxis en pacifisme bij elkaar horen. Ja, lijkt Bonhoeffer te zeggen, nee is het antwoord van Barth. Hun wegen lijken uit elkaar te lopen. Maar is dat ook zo?

In dit verband is een opmerking van Barth interessant. In het ethische deel van zijn scheppingsleer (III/4, zie met name p. 513/514), waarin hij Bonhoeffer verschillende malen positief citeert, bespreekt Barth de keus, die Bonhoeffer in 1939 maakt. Velen staan dan in Duitsland voor de keus of en zo ja hoe Hitler gestopt moet worden. Zo ook Bonhoeffer. Het antwoord dat hij op die vraag geeft is hierom interessant, omdat hij in de woorden van Barth op grond van zijn verstaan van het evangelie ‘eigentlich Pazifist’ is. Moet er geweld gebruikt worden om Hitler uit de weg te ruimen? Gaat het hier om een moord op een tiran die christelijk geboden is? Voor het antwoord dat Bonhoeffer geeft, beroept Barth zich op Erich Kordt die daarover in 1950 geschreven heeft. Op grond daarvan zegt hij dan, dat het vaststaat dat Bonhoeffer deze vraag ook niet negatief beantwoord heeft. De ‘physische Vernichtung’ van de machthebber van die dagen, i.c. Hitler is , gelet op de omstandigheden van die dagen geoorloofd om erger te voorkomen. De aanslag wordt dan ook, zo beschrijft Barth, gewild en gepland.

Barth geeft dit voorbeeld als illustratie bij zijn uitleg van het 6e gebod. Zijn uitleg is één lang en genuanceerd betoog om het leven in alle omstandigheden te beschermen. Hier, maar ook elders steekt hij zijn sympathie voor het pacifisme niet onder stoelen en banken. Geweld is geen middel om het doel te bereiken. Maar waarom dan toch het voorbehoud, waarom dan toch niet voluit pacifist? Dat heeft o.a. te maken met de hierboven aangeduide vraag van de tyrannenmoord. Barth kan geen pacifist tot het einde zijn, juist omwille van dat wat hem in zijn ethiek zo zeer ter harte gaat: de eerbied voor het leven. Het kan zijn, zo betoogt hij, dat juist om het leven te beschermen het van godswege geboden is om te doden. Het lijkt op een dogmatische haarkloverij, op een tot in het absurde doorgevoerde redenering, maar dat is het voor Barth niet. Om dat aan te tonen beschrijft hij de keus van Bonhoeffer in de situatie van zijn dagen. Die keus was aan de orde. Het kan zijn dat je om het leven van mensen te beschermen God gehoorzaamt door degene die dat leven ten diepste bedreigt, uit de weg te ruimen. Daarvoor terugdeinzen, omdat een pacifistische levenshouding je daartoe aanzet, wordt dan ongehoorzaamheid aan het gebod Gods. Op die manier wordt de vrijheid van God om ja en nee te zeggen door mensen ingeperkt. Daar ligt voor Barth de grens van het (ook zijn!) pacifisme.

Precies dat had Bonhoeffer volgens Barth in 1939 in de gaten. Natuurlijk op grond van het evangelie pacifist, maar hier moest God gehoorzaamd worden, ook al betekende dat gebruik van geweld. Alleen zo kon groter rampspoed voorkomen worden; alleen zo kon het leven beschermd worden, gehoorzaamd worden aan het 6e gebod.

We weten dat de geplande aanslag niet heeft plaatsgevonden. Speelde de pacifistische opvatting van Bonhoeffer toch op? Geenszins, analyseert Barth. Men was ervan overtuigd dat op religieuze gronden de tyrannenmoord als ultimo ratio geoorloofd en geboden was. De aanslag ging ook niet door omdat de gelegenheid zich niet aanbood de aanslag te plegen. Nee, uiteindelijk deinsde men terug, omdat men vreesde dat zo’n aanslag met het eigen leven betaald zou worden. Er lag zo schrijft Barth geen ethische beslissing aan ten grondslag.

Barth weigert deze mannen, inclusief Bonhoeffer dit tekort schieten kwalijk te nemen. Je kan alleen vaststellen, zo schrijft hij, dat kennelijk in die situatie het categorische bevel van God nog niet voor hen gold. Barth wijst dan op de grote eenzaamheid waarin een dergelijk besluit genomen en uitgevoerd kan worden. Het is het laatste in de ethiek, een grensgeval, waarbij je je voor je beslissing niet kan beroepen op of gesteund weet door enige autoriteit of institutie. Bij zo’n beslissing gaat het niet en mag het niet gaan om een eigen belang, om een persoonlijke overtuiging. Dan gaat het om het volgen van het gebod Gods, waaraan – vaak tegen het eigen gevoel in – in grote eenzaamheid gehoorzaamd moet worden.

Het is een grensgeval. Niet een vanzelfsprekend sluitstuk van menselijke politieke overwegingen. Het is daarom een zeldzaamheid. Voordat er sprake van kan zijn, is er een lange (pacifistische) weg gegaan. Elk triomfalisme is hier niet aan de orde. Toch laat Barth deze mogelijkheid in zijn ethiek open, juist wanneer hij spreekt over de bescherming van het leven. God kan en mag niet door welke uitleg zelfs niet van de geboden, noch door enig -isme in zijn vrijheid beperkt worden, d.w.z. in zijn vrijheid om voor het leven te kiezen.

Het lijkt erop, dat Bonhoeffer en Barth op dit punt minder van elkaar verschillen, dan ogenschijnlijk het geval lijkt. De vraag die Barth aan pacifisten stelt, wordt door de keuze van Bonhoeffer alleen maar versterkt.

At Polhuis

In de Waagschaal, jaargang 49, nr. 10.