Lazarus volgens Lukas, deel II

logoIdW

 

Hij riep en sprak:
Vader Abraham,
ontferm u over mij
en zend Lazarus,
dat hij de top van zijn vinger in water dipt
en mijn tong afkoelt,
ja, ik ben zeer verontrust in deze vlam!

Maar Abraham sprak:
Kind, gedenk!
Ja, jij hebt van jou terugontvangen
de goede dingen
in jouw leven
en Lazarus op gelijke wijze
de slechte dingen.
Nu wordt hij erbij geroepen
en ben jij zeer verontrust!

Lukas 16: 24, 25

De rijke denkt bij »Lazarus«, zo Bijbelvast als hij is en zo rijk hij is door het bezit van dit geestelijke goud, meteen aan de dienaar van Abraham in Genesis. Bij het zenden van »Lazarus« en het dippen van de vingertip in water denkt hij terug aan die heerlijke geschiedenis van Genesis 24, waarbij Lazarus/Eliëzer bij een bron aankomt en zijn eigen dorst en die van zijn kamelen gelest wordt door de bereidwillige Rebecca. De eerste druppel water die dan over de tong glijdt na zo’n lange reis in helse hitte, mensen, dat is pas een waar genot! — Tegelijk mogen wij ondertussen ook denken aan de hete zweren op het lichaam van de andere Lazarus, die verkoelend worden afgelikt door de natte tongen van honden.

Van groot belang is de toon van een vertaling. Het Griekse werkwoord odunao kan inderdaad op zijn allergruwelijkst en op zijn allerwreedst vertaald worden met ‘smarten lijden’ (Statenvertaling), ‘gekweld worden’ (Naardense Bijbel), ‘gefolterd worden’ (Willibrord ’78) of ‘pijn lijden’ (Willibrord ’95). Zulke vertaalkeuzes hebben direct hun weerslag op de aanwezige karakters. Zo wordt namelijk de indruk gewekt alsof rabbi Jezus er behagen in schiep om de rijke in de hades te vergasten op ‘smarten lijden’, ‘gekweld worden’, ‘gefolterd worden’ of ‘pijn lijden’. Het is ook echter mogelijk om ditzelfde werkwoord odunao juist met onderkoelde understatement te vertalen. Daarvoor komt de vertaalmogelijkheid met ‘zeer verontrust zijn’ in aanmerking. Die onderkoeldheid is nodig om de humor van rabbi Jezus tot zijn recht te laten komen. We leren zo — door zeer nauwgezet de grondtaal over te zetten — een geheel andere rabbi Jezus kennen dan gebruikelijk.

De penibele situatie van de rijke in de hades mag gerust vergeleken worden met het volstrekt zichzelf onwel bevinden als tijdens een snikhete woestijnuitdroging. Hij ventileert luid roepend zijn verlangen naar »Lazarus«’ natte vingerwerk. Maar zelfs hier blijft er ten diepste in deze gelijkenis humor meespelen. — Humor werd in de antieke oudheid begrepen als iets vochtigs. — Nu, de enige vochtigheid waarmee de arme Lazarus tijdens zijn helse leven op de smoorhete aarde getroost werd, waren hondse tongen. Nu zijn de rollen omgedraaid. Lazarus ontvangt het leven als erfgenaam, als zoon van Abraham, terwijl de rijke nu deel krijgt aan het hels in de poort weggeworpen leven van de arme Lazarus in aanhoudende hitte als in een gloeiende vuuroven. Maar het markante verschil blijft puntje bij paaltje nu wel, dat de rijke daar in de hades geen gezelschap van onrein lekkende honden heeft…

»Nu wordt hij erbij geroepen«. Het Griekse werkwoord parakaleo betekent allereerst: erbij roepen. Hiermee hangt het woord ‘parakleet’ – advocaat (de Heilige Geest is parakleet) ten nauwste samen. Wat doet de rijke in de vlam: hij roept »Lazarus« erbij! Dat wil zeggen: hij roept om Abrahams trouwe knecht Eliëzer; Eliëzer als watergenietende dienaar zoals hij zich herinnert uit die lieflijke Bijbelse Genesis 24 geschiedenis met Rebecca bij de bron. De tweede betekenis van parakaleo is ‘erbij roepen’ in de zin van ‘meetellen, meedoen, erbij horen’. Lazarus is in tel geraakt, hij doet ertoe, naar hem wordt geluisterd als naar een zoon: nu, dàt is pas echt vertroosting. Voorheen was Lazarus volstrekt eenzaam. Niemand die hem opmerkte. Zeker die rijke niet, want al zijn aandacht ging immers exclusief uit naar degenen die hèm erbij riepen. De meeste vertalingen kiezen hier echter om parakaleo met ‘vertroost worden’ weer te geven. »(…) en nu wordt hij vertroost, en gij lijdt smarten« (Statenvertaling). Daarbij gaat onze verbeelding onwillekeurig in de richting van een lief en aardig over de bol strijken van die arme Lazarus. De naamgenoot van »Lazarus«: Eliëzer wordt volstrekt vergeten. Maar het is veel meer als in de gelijkenis van ‘de verloren zoon’: die kwam op aarde in een ware hel terecht. Hij verloor alles wat hoort bij zijn zoonschap. Toen dacht hij aan zijn vader. Hij keert om en het eerste wat zijn vader doet is hem erkennen als zoon: hij telt mee, hij hoort erbij!

En in al deze dingen tussen ons en jullie
werd een grote gaping gevestigd,
zodat zij die willens zijn om er doorheen te gaan
van hier naar jullie niet zouden kunnen,
noch zij van daar naar ons zouden oversteken.

Lukas 16: 26

De Sadduceese levenswandel bestond dankzij de instandhouding van een onoverbrugbare kloof: de kloof tussen rein en onrein. Zo konden zij in de praktijk van het dagelijks leven twee vieze vliegen in één klap slaan: de armen zijn onrein èn de heidenen zijn onrein. Afgezet tegen deze achtergrond van de hen overal afstotende onreinheid konden zij zichzelf als ‘reinen’ oneindig boven hen verheven voelen. Rabbi Jezus echter brengt de arme (Lazarus in de poort) en de heiden (Eliëzer van Damascus) samen in één persoon: »Lazarus« representeert tegelijk de onreine als arme èn de onreine als heiden. Het spreken over »En in al deze dingen tussen ons en jullie werd een grote gaping gevestigd« spiegelt de levenspraxis van de Sadduceeën: alles draait daarin om het vestigen van een zo groot mogelijke kloof tussen de uitverkorenen (reinen) en niet-uitverkorenen (onreinen). Rabbi Jezus ontketent een revolutie binnenin dit Sadduceese denkraam, waar zij en ook wij niet meer omheen kunnen: het is de ‘onreine’ die onverwachts zoon en erfgenaam geworden is, terwijl de ‘reine’ opeens heel vervreemd en ontzet zit te kijken naar een vurige oven die hij altijd aan iemand anders had toegedacht. Hijzelf, de ‘reine’, wordt nu getoetst op zuiverheid om uit te vinden wat zijn reinheid eigenlijk inhoudt. Wie had bij rabbi Jezus zoveel ironie voor mogelijk gehouden?—

Maar hij sprak:
Ik vraag u dan, vader,
dat u hem zendt
naar mijn vaders huis.
Ik heb immers vijf broers,
zodat hij bij hen zal betuigen,
opdat niet zij ook zullen komen
naar deze plaats van toetsing op zuiverheid!

Abraham sprak:
Zij hebben Mozes en de profeten:
laten ze naar hen horen!

Maar hij sprak:
O nee, vader Abraham!
Maar indien iemand bij de doden vandaan
naar hen toe gaat,
dan zouden zij van gedachten veranderen!

Maar hij sprak tot hem:
Indien ze naar Mozes en de profeten niet horen,
zo zullen zij niet,
zelfs indien iemand uit de doden opstaat,
overtuigd worden.

Lukas 16: 27 – 31

De laatste woorden van deze gelijkenis worden meestal betrokken op Jezus zelf. Ze worden uitgelegd als een profetisch voorzien van de verharde reactie van bot ongeloof bij de Sadduceeën, Farizeeën en Schriftgeleerden op de zich snel verbreidende blijde mare: Jezus is opgestaan uit de doden! De ironie en de Witz in deze profetische gelijkenis van rabbi Jezus is echter dat hogepriester Kajafas zelf als schimmige aangever wordt benut. Met zijn luid protesterende »O nee, vader Abraham! Maar indien iemand bij de doden vandaan naar hen toe gaat, dan zouden zij van gedachten veranderen!« blijkt de rijke Kajafas zonder het te weten stem te geven aan de voorzet, waarop vader Abraham als onverwachts lenige ‘inkopper’ met zijn profetie van het niet-overtuigd worden, »zelfs indien iemand uit de doden opstaat«, zal gaan scoren. We begrijpen nu ook beter het tandengeknars en de verbitterde haat van Jezus’ tegenstanders. Via deze ongelooflijk satirische gelijkenis worden deze grommende leeuwen, met hogepriester Kajafas in een speciaal uitverkoren koppositie, danig in hun hemd gezet en tot het uiterste geprovoceerd.

Toch doet deze op zich heerlijke uitleg nog niet helemaal recht aan alle bedoelingen van rabbi Jezus met deze gelijkenis. Nu begint het immers erop te lijken, alsof hij over de ruggen van Lazarus en Eliëzer heen de aandacht exclusief naar zichzelf toe wil trekken. Nee, rabbi Jezus liet hogepriester Kajafas in levende lijve afdalen in de krochten van het dodenrijk om hem en zijn schare van meelopers eens danig te laten voelen, dat de kloof tussen ‘rein’ en ‘onrein’ een menselijk bedenksel van henzelf is. Voor Gods aangezicht bestaat dit niet. Rijk of arm, Jood of heiden: Hij ontvangt ons als zusters en broeders in Christus. Rein of onrein, hemel of hel, voor Zijn aangezicht bestaat er enkel uitbundige vreugde. Voor hogepriester Kajafas en zijn vijf Sadducese broers was de instandhouding van de gapende kloof tussen ‘rein’ en ‘onrein’ de automatische piloot die hun geloof bestuurde. De metanoia, de verandering van gedachten, waar rabbi Jezus op doelt, heeft allereerst te maken met op jezelf roemen als ‘rein’ en alle anderen, armen en heidenen, minachten als ‘onrein’ en onaanraakbaar. Jezus verheft zich niet boven de armen en heidenen, hij raakt ons allen aan en zegent ons.

»Er was zomaar een mens, een rijke. … hij verheugde zich elke dag uitbundig.« Zo begon de gelijkenis. Rijk zijn betekent allereerst rijk zijn ‘in Hem’, dat wil zeggen: zich elke dag uitbundig verheugen. Daar is niets mis mee, zolang we die waarachtige vreugde aan een ieder gunnen. De bron waaruit dàt geput kan worden is: horen naar Mozes en de profeten.

En het geschiedde:
tijdens zijn bidden,
het aanzien van zijn aangezicht:
een andere!
en zijn kleding:
wit bliksemend!
En zie,
twee mannen
in samenspraak met hem.
Deze waren Mozes en Elia.
Terwijl zij te zien waren in Heerlijkheid,
zegden zij zijn exodus aan,
die hij op het punt stond te vervullen in Jeruzalem.

Lukas 9: 29 – 31

Keesfrank Klaassen

C.F. Klaassen is predikant binnen de PKN