Lazarus volgens Lukas, deel I

logoIdW

 

Na dit besprokene geschiedde Zijn spreken tot Abram in het schouwen,
een spreken:
Vrees niet, Abram,
Ik ben voor jou een schild,
jouw loon: zeer overvloedig.

Abram sprak:
Mijn Heer, Gij,
wat zou gij mij mogen geven,
ik ga immers ontbloot zonder kind daar naar toe
en bedrijfszoon voor mijn huis is hij, de Damascische Eliëzer.

Abram sprak:
Zie, mij hebt gij zaad niet gegeven,
zie, … moet mijn huiszoon dan mijn erfgenaam zijn…

Zie echter: Zijn spreken aan hem, een spreken:
Niet zal jou deze beërven,
maar die van jouw lijf uitvaart, die zal jou beërven!

(Genesis 15:1-4)

We gaan allemaal ontbloot »daar naar toe«.— Abram zegt het klip en klaar zonder er vrome doekjes omheen te winden. Geen zaad, geen erfgenaam. Wat dan? Hij moet dan toch wel iets in de bedoeling hebben met het hoofd van zijn huishouding: Eliëzer van Damascus. Die zal kennelijk voorbestemd zijn om Abrams erfgenaam te worden. Abrahams woorden klinken onbesmuikt postmodern: »Ik ga immers ontbloot … daar naar toe« (Martin Buber 1954: »ich gehe ja kinderbloß dahin«). Wij leven allang niet meer aan het begin van Verlichte tijden — zeg, zo rond 1700 — toen de beau monde in christelijk Europa zich met de nodige woordenomhaal bezorgd maakte om de onsterflijke ziel, het paradijs of de eeuwigheid. Ook leven we niet meer aan het eind van Verlichte tijden — zeg, zo rond 1900 —, toen de goede sier juist gemaakt werd met het openlijk betwijfelen of de draak steken met zaken die de oudere generaties zo na aan het hart lagen. Dit artikel wil trachten desnoods een tegendraads licht te werpen op kwesties, die voor een weldenkend mens van nu volstrekt achterhaald heten te zijn.

Abraham was oud, hoog gekomen in de dagen,
en Hij had Abraham in alles gezegend.
Abraham sprak tot zijn knecht, de oudste van zijn huis, die al het zijne beheerde:
Leg toch je hand onder mijn lende!

(Genesis 24:1, 2)

Eliëzer, ‘Mijn God is een hulp’, dat is zijn Hebreeuwse naam. Lazarus, ‘God is een hulp’, dat is de dezelfde naam maar dan in het Aramees. Bij de eerste en enige keer dat zijn naam hardop genoemd wordt in de Schrift, in Genesis 15, horen we als toevoeging Dammasek. Daardoorheen schemert de stad Damascus. Het nodigt tot de conclusie, dat Eliëzer afkomstig was uit die stad. In Genesis 15 heet hij nog de bedrijfsleidende zoon, de zoon van het huishouden van Abram. Maar later verdwijnt die aanduiding met ‘zoon’ schielijks. Hij wordt in plaats daarvan een naamloze knecht:‎ »de oudste van zijn huis, die al het zijne beheerde« (Genesis 24:2). De Talmoed is scherper van toon en noemt hem een slaaf, een Kanaäniet die uit Damascus afkomstig was. Slimme rabbijnen vonden al eerder, in Genesis 14, de vooraankondiging van zijn verschijnen een hoofdstuk later: »Toen Abram hoorde, ja, zijn broeder was gevangen, verdeelde hij zijn ingewijden, zijn huisgeborenen, driehonderd en achttien, en hij achtervolgde tot aan Dan. Hij verdeelde zich tegen hen in de nacht, hij en zijn dienstknechten, hij sloeg hen en vervolgde hen tot aan Choba, links van Damascus.« (Genesis 14:14, 15) Laat het getal ‘318’ nou precies de optelsom van de letters in Eliëzer’s naam zijn, wanneer we die Hebreeuwse medeklinkers omduiden tot getallen. — Volgens die rabbijnen ging Abram op oorlogspad met maar één knecht aan zijn zijde: Eliëzer. Daaruit ontstond vervolgens de legende, dat Eliëzer een krachtmens van heb ik jou daar moet zijn geweest. Sommige Joodse volkslegenden doen hem sprekend lijken op de katholieke heilige Christofoor, de reus die het kind Jezus door de rivier moest dragen en daarbij bijna ten onder ging vanwege het opeens ongelooflijk groeiende gewicht van zijn kostbare last. In de Talmoed wordt verteld hoe Eliëzer eventjes twee kamelen optilde en die door de rivier droeg.

Eliëzer heeft naam gemaakt met zijn rol als huwelijksmakelaar. Hij bemiddelde tussen Izaäk en Rebecca. Maar de Genesis 24 geschiedenis noemt merkwaardig genoeg zijn naam niet. De knecht van Abraham komt aan in Aram, het Tweestromenland, bij de stad van Nachor. Daar komen bij de avondkoelte vrouwen naar buiten de stad uit om water te putten. Eliëzer bidt tot Hem, de God van zijn heer Abraham. Ook hier is het commentaar van de Talmoed ongemeen scherp van toon in vergelijking met de hoogzomers romantische warmbloedigheid van het Bijbelverhaal. De rabbijnen durven de wijsheid van Eliëzer te betwijfelen, of het wel zo goed was om bij de bron aan een willekeurig onbekend meisje vragen te gaan stellen. Want denkt u toch eens in, wat er zou gebeuren wanneer dat meisje een slavin blijkt te zijn (— dat wil zeggen: ver beneden Izaäk’s stand —)? Denkt u zich vervolgens toch eens in dat zij, deze slavin, eveneens van zins zou zijn om voor hem en zijn kamelen water te putten! Ook zijn de rabbijnen het niet eens, dat Eliëzer Hem als het ware voor het blok zette met zijn koppelplannetje. Terwijl het Bijbelverhaal glanst van hartverwarmende menselijkheid, komt de Talmoedische volkslegende onverwachts zurig uit de hoek. Gesuggereerd wordt dat aan Eliëzer vergiftigd voedsel zou zijn voorgezet. (— Broer Laban aast immers sluw op zijn geld en goed —). Maar terwijl Eliëzer in geuren en kleuren zijn verhaal uiteenzet, wordt die maaltijd per abuis verwisseld. Nachor, Abraham’s broer, wordt het onbedoelde slachtoffer van de intrige. Nee, de Talmoed heeft niet veel op met Eliëzer. Hij wordt volstrekt niet vertrouwd.

Er was zomaar een mens,
een rijke.
Hij ging gekleed in purper en fijn linnen
en hij verheugde zich elke dag uitbundig.
Zomaar een arme,
met de naam Lazarus,
was neergeworpen bij zijn poort,
onder de zweren.
Hij begeerde om verzadigd te worden
met wat omlaag viel van de tafel van de rijke.
Maar in plaats daarvan kwamen zelfs de honden.
Zij lekten zijn zweren.

(Lukas 16:19-21)

Rabbi Jezus spreekt in gelijkenissen. Hij veronderstelt bij zijn gehoor, dat zij aan een half woord genoeg hebben. Via de dubbele bodem methode van ‘het spreken in gelijkenissen’ kon hij zich rechtstreeks in het aangezicht van zijn kritische gevolg vrijelijk uitspreken zonder dat zij greep op hem konden krijgen. Want telkens duurde het even, voordat zij alles door hadden waar hij op doelde. Ja, rabbi Jezus beheerst het stijlmiddel van de satire als geen ander.

»Purper en fijn linnen« wijst op een Koninklijke komaf. Alleen koningen gingen gekleed in purper. In het Palestina van Jezus’ tijd was het met name de Jeruzalemse priesterclan van de Sadduceeën, die prat ging op deze hoge komaf. Zij beroemden zichzelf op hun rechtstreekse afstamming van Koning David, de Koning der Koningen. Hun gehate concurrenten daarentegen, de Farizeeërs, waren in het buitenland ontstaan in de synagogen tijdens de Babylonische ballingschap. Zij beschikten dus niet over zulke goede papieren. Verderop zal melding gemaakt worden van vijf broers. Er zijn exegeten, die hierbij denken aan Juda, de zoon van aartsvader Jakob, die vijf direct bloedverwante broers heeft. Maar veel pikanter en daarom veel waarschijnlijker is het om rechtstreeks de hogepriester Kajafas, het opperhoofd van de Sadduceeën, in het vizier te nemen. Die had vijf broers volgens de kroniekschrijver Josephus: Eleazar, Jonathan, Theophilus, Matthias en Ananus. Zij waren de vijf zonen van de vorige hogepriester Ananus (ook wel Annas genoemd). Allen werden in het begin van de eerste eeuw A.D., ieder op zijn beurt, voorzitter van het Sanhedrin en pronkten met de daarbij horende Koninklijke titel van Nasi, prins. Rabbi Jezus mikt onbevreesd op de crème de la crème.

Het geschiedde:de arme stierf
en hij werd weggedragen door de engelen
naar de schoot van Abraham.
Ook de rijke stierf:
hij werd begraven.
In de hades sloeg hij de ogen op,
terwijl hij op zuiverheid getoetst werd:
Hij ziet Abraham van verre
en Lazarus in zijn schoot!

(Lukas 16:22, 23)

Herinneren we ons Eliëzer, de dienaar van Abraham, die zijn hand onder de lende van zijn heer legde. Over hem werd duidelijk gezegd: ‎»Niet zal jou deze beërven, maar die van jouw lijf uitvaart, die zal jou beërven!« (Genesis 15:4) Na zijn succesvolle optreden als huwelijksmakelaar in Genesis 24 wordt er daarna niets meer van hem vernomen. Wat zou er met hem gebeurd zijn? Rabbi Jezus noemt in de gelijkenis niet voor niets de naam »Lazarus«. De rijke herkent Abraham van verre en in zijn schoot herkent hij nog iemand. Ach ja, dat moet vast de dienaar van Abraham zijn! Hij zal straks aan vader Abraham vragen om die dienaar te zenden. Ja, hij kent zelfs nog op zijn Aramees de naam van die dienaar uit zijn hoofd: »Lazarus«. Maar, dat is de Witz, aan welke »Lazarus« denkt de rijke? — Bijna automatisch zijn we geneigd om te menen, dat hij natuurlijk die arme bedoelt, die voor zijn poort lag neergeworpen. Dat automatisme volgen namelijk bijna alle uitleggers. Maar … kent een rijke iemand die arm is bij name? Nee. Een rijke kent alleen zijn gelijke bij name. Het is werkelijk absurd om te veronderstellen, dat een rijke oog heeft voor de arme in zijn poort, laat staan dat hij die sloeber bij name zou kennen. Bij Mattheüs en Marcus vallen er kruimels van de tafel, maar van de tafel van deze rijke bij Lukas valt er niets. Als er al iets van af zou vallen, dan zijn de honden er eerder bij. Nee, hogepriester Kajafas is veel te voornaam om omgang te hebben met de gewone man in de straat. Laat staan met een onreine, iemand die stinkend onder de schurft in het vuile stof omringd wordt door likkende honden! Het is ondenkbaar, dat een Sadduceeër van hoge komaf zelfs maar in de buurt van zo iemand zal willen komen.

Naar de schoot van Abraham werd »Lazarus« heen gedragen. De rijke denkt: dat moet vast de dienaar van Abraham zijn, de man die over zijn hele huishouden gaat. Dat wil zeggen: Eliëzer uit het boek Genesis. We kunnen rabbi Jezus niet gevoel voor humor ontzeggen, dat hij juist deze Eliëzer uit Genesis heeft verwisseld met naamgenoot Lazarus, die als onreine van pure ellende wegstierf in de poort van de rijke. Maar of het nu de ene »Lazarus« is of de andere, er wordt door rabbi Jezus iets verteld (in een gelijkenis kunnen vele zaken impliciet meegezegd worden), dat elke Sadduceeër, Farizeeër of Schriftgeleerde ongetwijfeld de haren ten berge doet rijzen: Lazarus oftewel Eliëzer is erfgenaam geworden. Dat is namelijk de betekenis van ‘in de schoot van Abraham zijn’: dààr te verblijven is het exclusieve privilege voor zonen en dochters.

De rijke stierf, hij ontving wel een begrafenis, zoals dat hoort volgens de Joodse wet. Maar, zo vervolgt rabbi Jezus, hij slaat zijn ogen op in de hades, het schimmenrijk. Laten we in gedachten houden, dat rabbi Jezus hier bezig is om hogepriester Kajafas spreekwoordelijk ter helle te laten varen. En dat nota bene terwijl die man toen nog gewoon volop levend en wel in goede doen was. Hij werd pas later hoofdverantwoordelijke voor de overlevering van Jezus aan de Romeinen. Je moet het maar durven om via het vertellen van een gelijkenis zo’n helse satire te bedrijven met iemand die toen dè voornaamste hotemetoot van Jeruzalem was! Vele vertalingen melden, dat de rijke »gefolterd« werd. Maar het Grieks heeft bij basanos als grondbetekenis: toetssteen, waarover gewreven wordt met goud om de zuiverheid ervan vast te stellen. De rijke wordt getoetst op zuiverheid: het is dààrom — dit is immers het goud dat in hem ontdekt wordt — dat hij opeens Abraham van verre gewaar wordt. Waarom dan toch en basanois vertalen met dat botte ‘folteren’, waarbij ons alles ogenblikkelijk duister voor ogen zal worden? Onder geen enkele marteling, waar dan ook op aarde, is er iets moois en aangenaams te zien. Laat staan de gestalte van vader Abraham.

Keesfrank Klaassen

C.F. Klaassen is predikant binnen de PKN