Jezus en de vijfde evangelist: zoeklicht of dwaallicht?

logoIdW

 

Het is alweer bijna een jaar geleden dat Jezus en de vijfde evangelist verscheen, het boek van Fik Meijer over de historische Jezus. In dit boek probeert Meijer vooral met behulp van de werken van Josephus te achterhalen wie Jezus nu echt was. Ik zou hier andere recensenten kunnen herhalen in hun bespreking van Meijer, maar ik denk dat het volstaat om te verwijzen naar de online recensies van Jona Lendering en Matthijs de Jong. Hun belangrijkste kritiek op Meijer komt neer op zijn gebrek aan methode. Meijer verantwoordt zijn methode te weinig en doet vaak maar wat; hij gebruikt te weinig historische en archeologische bronnen naast Josephus; hij is er zich onvoldoende van bewust dat Josephus zijn eigen Tendenz heeft en gebruikt Josephus onterecht als objectieve bron naast de subjectieve evangeliën; de joodse Jezus komt bij Meijer onvoldoende uit de verf. Wie een populair wetenschappelijk boek over de historische Jezus wil lezen kan mijns inziens dan ook beter niet kiezen voor Fik Meijer, maar grijpt liever terug naar het oude The shadow of the Galilean van Gerd Theissen; een roman – nog spannend ook – mét voetnoten én verantwoording van de gebruikte methode.

De Joodse Oorlog

Toch wil ik hier een bepaald punt van Jezus en de vijfde evangelist bespreken: door zijn insteek bij Josephus beschrijft Meijer Jezus vanuit het perspectief van de Joodse Oorlog; een perspectief dat hij overigens deelt met Gerd Theissen. Deze invalshoek is intrigerend: als wij Jezus plaatsen in het rijtje profeten dat actief was in de opmaat naar de Joodse Oorlog, de oorlog die uiteindelijk leidde tot de val van Jeruzalem, maken wij ons dan schuldig aan hindsight bias [beoordeling van eerder met kennis van later; red.]? Of is dit een nodige correctie op de evangeliën, die Jezus wellicht ongevaarlijker maken dan hij (althans in de ogen van de Romeinen) was? De evangeliën schetsen geen beeld van een Jezus die uit was op politieke macht of zelfs ook maar politieke vragen wilde beantwoorden, maar het gegeven dat hij messias genoemd werd en vanwege zijn ‘messiaspotentieel’ gekruisigd werd, laat zien dat het ook mogelijk is om Jezus’ optreden meer politiek te duiden.

Is de keuze van Fik Meijer voor Josephus als ‘vijfde evangelist’ dus een noodzakelijke correctie op het beeld dat we van Jezus krijgen in de canonieke evangeliën of levert een vijfde evangelist vooral een vijfde Tendenz op, namelijk die van een geschiedenisbeeld waarin alles in de eerste helft van de eerste eeuw toewerkte naar de Joodse Oorlog? Het antwoord ligt denk ik – zoals altijd – ergens in het midden. Overigens schrijft Josephus natuurlijk heel weinig over Jezus zelf en de woorden die wij in zijn werk aantreffen over Jezus zijn volgens sommigen zelfs in zijn geheel later toegevoegd. Maar Josephus is evengoed van belang als bron voor de omstandigheden en de verhoudingen in het Palestina van Jezus’ dagen. Het is echter de vraag of hij de omstandigheden in Galilea in het eerste kwart van de eerste eeuw niet te veel op één hoop schuift met de omstandigheden in de decennia erna. Galilea, de regio waar Jezus het grootste deel van zijn leven doorbracht, kan ook niet zomaar op één hoop geschoven worden met Judea, dat er onder Pilatus veel minder goed aan toe was dan Galilea onder Antipas. Het lijkt er op dat de verhoudingen onder Herodes Antipas niet al te slecht waren en dat een vergelijking tussen hem en zijn vader Herodes de Grote in het voordeel van Antipas uitpakt. Fik Meijer neemt echter kritiekloos Josephus’ beeld van Antipas over. Zo noemt hij het feit dat Antipas de nieuwe stad Tiberias over een begraafplaats heen liet bouwen en dat deze stad in de ogen van de Joodse bevolking dus onrein was. Het lijkt er echter op dat Antipas meer dan zijn vader zijn best deed om de Joden niet voor het hoofd te stoten. Zo is het opmerkelijk dat hij geen munten liet slaan met een afbeelding van hemzelf of de keizer erop: hij hield dus rekening met het beeldverbod van de Joden. Ook bouwde hij geen tempel en evenmin startte hij een keizercultus voor keizer Tiberius, wat toch een gemakkelijke manier was geweest om bij hem in de gunst te komen. Onder Antipas was er verder geen sprake van echte incidenten of oproer, heel anders dan onder Pontius Pilatus, die in diezelfde tijd regeerde in Judea.

Niet alleen kommer en kwel

Er is discussie over de vraag of de sociale omstandigheden in Galilea in Jezus’ tijd zo slecht waren dat zij een belangrijke motivatie voor opstand konden vormen. Volgens Shean Freyne waren de omstandigheden niet slechter dan elders in het rijk. Dat wil zeggen dat er een tweedeling was tussen rijk en arm en dat de armen het soms behoorlijk slecht hadden. Dat laatste kunnen we ook opmaken uit de evangeliën: we lezen bijvoorbeeld over schuldslavernij, dagloners die nauwelijks aan werk kunnen komen en grootgrondbezitters die er warmpjes bij zitten. Wie zich echter verdiept in de archeologie van Galilea van de eerste eeuw, ontdekt ook dat er talrijke plaatsjes waren met een bloeiende industrie of handel. Magdala, voor Bijbellezers alleen bekend door Maria Magdalena, was bijvoorbeeld een stad met een indrukwekkend hellenistisch voorkomen; haar rijkdom dankte de stad waarschijnlijk aan de visindustrie. Het was dus heus niet alleen kommer en kwel in Galilea en er was waarschijnlijk ook iets wat op een middenklasse leek. Er zijn overigens geen aanwijzingen dat de economische situatie in Galilea onder Antipas (dus tijdens Jezus’ leven) verslechterde.

Gerd Theissen benadrukt echter dat, afgezien van de vraag hoe slecht de sociale omstandigheden nu precies waren, Galilea in ieder geval een bron van onrust was. Neem nu Simon Zelotes, een discipel van Jezus: de Zeloten waren felle en toegewijde strijders tegen de Romeinen en deze Simon kwam waarschijnlijk uit Galilea. Zo zijn er nog meer aanwijzingen: net voor het begin van de jaartelling was Sepphoris volledig verwoest door de legaat van Syrië, vanwege oproer in deze stad. Toch gaat het te ver om op grond van dergelijke feiten te veronderstellen dat oproer de bevolking van Galilea als het ware in de genen zat, daarvoor zijn losse feiten die ook nog eens verspreid in de tijd liggen geen voldoende aanwijzing.

Uitdaging van de machthebbers

Meijer speculeert dat Jezus aan het einde van zijn leven iets aan moest met de messiasverwachtingen van zijn volgelingen. Hij ‘had zich in een positie gemanoeuvreerd waaruit geen weg terug was’ (235) en trekt daarom op naar Jeruzalem. Tijdens de intocht presenteerde ‘een nieuwe Jezus’ zich (237). Met zijn intocht daagde hij de machthebbers uit, zij het – vooralsnog – zonder geweld. Meijer neigt er verder naar om de tempelreiniging te zien als een daad van ‘symbolische destructie’ (239), opnieuw dus een uitdaging tegenover de Joodse én Romeinse leiders. Meijers visie is heel interessant, maar gaat verder dan een historische reconstructie van Jezus kan gaan: hij probeert Jezus’ onuitgesproken motieven te achterhalen en psychologiseert Jezus’ handelen. Wie een wetenschappelijk verantwoord beeld van de historische Jezus wil schetsen moet echter accepteren dat het niet mogelijk is om achter de oudste bronnen terug te gaan.

Ik kom terug bij de vraag of het perspectief van de Joodse Oorlog meer licht werpt op de historische Jezus of niet. Ik denk dat het goed is om te beseffen dat Jezus in een tijd leefde waarin een opstand niet ver weg was en waarin ook voorboden waren van die opstand. Een cruciale sleutel voor het begrip van Jezus vormt de oorlog echter niet. Maar het is wél goed om te beseffen dat de impact van de oorlog en met name de verwoesting van de tempel voor het culturele, sociale en godsdienstige leven in Palestina groot was. Na de inname van Jeruzalem moesten dan ook niet alleen Joden, maar ook ‘volgelingen van de weg’ hun hele wereldbeeld herschikken. De evangeliën laten iets zien van pogingen daartoe. Men zou bijvoorbeeld de stelling kunnen verdedigen dat het Johannesevangelie in deze vorm, waarin Jezus de belichaming van de nieuwe tempel is, slechts mogelijk was na de verwoesting van de tempel. En verder: in de Grieks-Romeinse wereld na 70 moesten de aanhangers van een religie die een gekruisigde aanbaden als ‘messias’ echt iets uitleggen; was hun religie niet staatsgevaarlijk? Kortom: het perspectief van de Joodse Oorlog is belangrijker om de eerste volgelingen van Jezus te begrijpen en waarom zij deze evangeliën schreven, dan voor de historische reconstructie van Jezus’ leven en opvattingen.

Els Klok

 Drs. E. Klok is classica en theoloog. Zij was docent Klassieke Talen in het voortgezet onderwijs en docent Nieuwe Testament aan de Universiteit Leiden en is nu student binnen de predikantsmaster aan de PTHU.

 

Gebruikte literatuur

Shean Freyne, Jesus, a Jewish Galilean: a New Reading of the Jesus Story (London / New York 2006).

Morten H. Jensen, Herod Antipas in Galilee (Tübingen 2006).

Fik Meijer, Jezus en de vijfde evangelist (Amsterdam 2015).

Gerd Theissen, The Shadow of the Galilean. The quest of the historical Jesus in narrative form (London 1987).

Gerd Theissen, Annette Merz, Der historische Jesus. Ein Lehrbuch. (Göttingen 20114).