Hongerig om te preken: Over de preken van Eberhard Jüngel

logoIdW

 

In één van de laatste theses over prediking, schrijft Jüngel over het ‘hongerig zijn van de prediker en over het zich verheugen op de volgende preek’. ‘Dan heeft de hermeneutiek haar dienstwerk binnen de theologie gedaan’, schrijft hij, wanneer ze hongerig maakt om te preken (p 153).

Op de dag dat ik dit artikel las, lag het nieuwe album van U2 op mijn bureau (‘Songs of experience’). Intrigerende Anton Corbijn op de voorkant, twee tekstboekjes nota bene, waarvan de ene een soort homilie; en ik lees de interviews, over zestigers die na veertig jaar muziekmaken nog steeds zich artistiek en inhoudelijk willen bewijzen. En ik denk: wat een honger. Ik weet niet welke hermeneutiek functioneert in de wording van hun teksten, maar de esthetische en existentiële honger is onstuimig. Het is voor mij vaak een theologische inspiratie: de dwang en de wil die Mark Rothko had om een nieuwe ‘taal’ te ontwikkelen in zijn kunst, de continue drift naar nieuwe boeken en nieuwe gedachten die Wim Brands had. Van Barth wordt gezegd dat hij (wandelend langs de Sorbonne, de operette en de casino’s bezoekend in Parijs) zei: Waarom behartigt de kerk haar zaak niet beter dan deze zingende, mimerende en dansende wereldkinderen? Je wenst onze kerk predikanten toe, en een homiletisch en theologisch discours, dat door een soortgelijke honger gedreven worden. Je wenst jezelf als predikant een geestelijk bestaan toe waarin deze honger steeds opnieuw gebeurt. Is prediking niet het stimuleren van en bidden om honger naar het gebeuren van de woorden Gods?

De preken van Jüngel, waarvan een selectie is bezorgd door Willem Maarten Dekker, getuigen van zo’n soort honger en ze stimuleren het ook. Zowel in esthetische als in theologische zin. Het zijn preken van een theologische grootmeester. In de preken gebeurt steeds een originele integratie (van exegese, systematische theologie, menszijn, geestelijk leven en context), en regelmatig mondt dat uit in heerlijke aforismen. In de preek over Genesis 32, over Jakob aan de Jabbok, lezen we dat het ‘een verhaal is voor aangevochten mensen’, ‘op zijn wijze een oudtestamentische zaligspreking’. Over het uur voor zonsopgang, dat bij de Jabbok het uur van de godsontdekking is, schrijft Jüngel dat dat ‘het uur van de theologie’ is (27-28). Of neem de preek over de bespotting van de profeet Elisa, een causerie-achtige preek, waarin Jüngel op een lucide manier de jonge heren-studenten tot zelfspot dwingt (61-65). In de preek over de klacht van Job, hoor je een pastor spreken die de theologische taal-grenzen opzoekt om recht te kunnen doen aan de klacht van mensen: ‘Als in u zich een afgrond opent, schreeuw dan God naar beneden in de afgrond. Hij zal hem met zichzelf sluiten’ (75).

Preken als deze helpen prediking. Ze stimuleren een gezamenlijk discours. In je eigen reflectie over een tekst, vind je een kundig voorbeeld, waarvan sterke flarden je kunnen inspireren in het zoeken naar hoe jij, in jouw context en met jouw mogelijkheden, de Bijbeltekst kunt ontsluiten. Deze preken kunnen ook functioneren als een kwaliteitsimpuls. Good practices, dat wil zeggen: praktijken van prediking waarin de oorsprong, de traditie, de intentie en de ethiek van een specifieke praktijk tot ontplooiing komen, kunnen je eigen preekpraktijk stimuleren. Prediking heeft zeker een epifanisch karakter (dat buiten ons bereik ligt en waarom gebeden wil zijn), maar het heeft ook inductieve aspecten. Het doet ertoe of je tijd neemt om te exegetiseren, of je theologie serieus neemt, of je een absorberend vermogen ontwikkelt naar wat gaande is in de gemeente en in je tijd, of je onderdeel bent van de ‘company of preachers’ en of je wilt leren van anderen.

Het slothoofdstuk in dit boek is een essay over theologie, hermeneutiek en prediking. Ik kende het artikel niet, maar werd erdoor meegenomen. Het begint met een pregnante vraag, de vraag waarom ‘de belangrijkste vernieuwing van de theologie in de 20e eeuw, geen vernieuwing van de gemeente tot gevolg heeft gehad?’ (p 133) Sterker nog: Hoe kan het dat het praktisch worden van die vernieuwing, in prediking en onderwijs, ‘zo vaak in een eigenaardige leegloop terechtkomt’? (134) Die vragen brengt Jüngel tot het opnieuw doordenken van prediking.

Participatie

Wat is in hoofdlijnen de methode: Jüngel propageert allereerst een historische en theologische reconstructie van hoe in specifieke Bijbelpassages de inhoud van de verkondiging is gebeurd. De situatie van die verkondiging is altijd een historische situatie, en theologie moet die oorspronkelijke situatie reconstrueren en ontsluiten (135). Hermeneutiek is de theologische functie die de mogelijkheid verkent van hoe die Bijbeltekst, die daar en toen prediking was, opnieuw tot prediking kan worden (136). Zie overigens in dat betoog de indringende vraag: ‘Wanneer nu de kerken leger worden, moet onmiddellijk de vraag ontstaan of de inhoud van de verkondiging werkelijk verkondigd wordt op een manier die past bij de historische situatie van de verkondiging?’ (135). Het is duidelijk dat voor Jüngel de ‘situatie van de tekst’ (en daarom ook ieder detail van de tekst en de tekstgeschiedenis) uitgangspunt is, en dat alle onderzoeksresultaten van die tekst meedoen.

Het valt me op dat het betoog dan sterk nieuwtestamentisch, christologisch en dialektisch wordt: De ‘belijdende situatie van de tekst’ is dat gelovigen uitspreken dat ‘Jezus Christus bij God hoort’ (139). Die belijdenis gebeurt historisch gezien steeds op verschillende manieren; dat is het specifieke van de situatie. Maar, kort gezegd, mensen zijn onbetrouwbaar (en zelfs ‘leugenaars’), en ‘alleen in de mond van Jezus, kan God in menselijke woorden ter sprake komen’ (141). Nog een ontregelende stap verder: God komt alleen in Jezus’ mond genadig ter sprake ‘waar de dood de mond van Jezus sluit’ (141). Dat is de theologische kern: God heeft ons in de dood van Jezus genadig met hem verbonden, om ons met Jezus ook weer de mond te openen, zodat het geloof woorden vindt (141-142).De ‘honger tot prediking’ is de reden waarom de Bijbeltekst ooit tot stand kwam en het is de impuls tot contemporaine prediking. In beide situaties gaat het om de proclamatie van de ‘eschatologisch nieuwe situatie die voor alle mensen gegeven is’ (142).Wij moeten in het heden in diezelfde eschatologische nieuwheid geplaatst worden en dat gebeurt door prediking. De ‘wereld’ kwalificeert Jüngel als die werkelijkheid die dit nieuwe niet wil, die bij het oude wil blijven, die niet ontdekt wil worden als zijnde ‘voorbijgaande wereld’. Dat klinkt abstract, maar juist hier zit voor Jüngel ook de contextualiteit en Zeitbezogenheit van de prediking. De preek wil de huidige wereld, (een wereld die anders is dan de wereld van toen), onthullen in haar specifieke gestalte van weerstand, en in haar specifieke mogelijkheden om in te kunnen instemmen met dit spreken over God.

Wat mij betreft helpt dit het gesprek over prediking. In dit essay zit kerygmatische concentratie en theologische helderheid en scherpte. Dat is nodig. Een systematisch theologische insteek als deze houdt de homiletiek op scherp. Misschien is het ook omgekeerd zo. Empirische praktische theologie stelt ook vragen aan systematische theologie. In mijn eigen onderzoek naar profetische prediking (onderdeel van het gebeuren van het Woord Gods nu) is het inductieve ingebed in het illuminatieve. In profetische preken kom je pre-exegetische illuminatie op het spoor (een intuitie naar Bijbelteksten voor dat specifieke moment, voorafgaande aan exegese), in de geanalyseerde preken is het theologisch sensorium van specifieke tradities volop actief, de hymnes uit een traditie doen mee in de preken, de biografie van de prediker is vaak aanwijsbaar operatief, alsmede de historisch-culturele bedding van het moment. In die prediking duiken ook allerlei flarden op van buitenkerkelijke stemmen die inhoudelijk meedoen in de preek. En ik zou zeggen: ook de participatie van de gemeente zelf is onderdeel van het gebeuren van de woorden Gods. Al deze elementen worden niet uitgeschakeld in het geschieden van het Woord, maar geconsecreerd. De prediker (en ook de gemeente) wordt wel uit het centrum weggehaald, maar verdwijnt niet (zie ook Angela Dienhart Hancock’s reconstructie van Barth’s homiletiek colleges: ‘in the midst of this attentiveness, this respicere, this being “caught up” in that to which the Scriptures points, Barth insisted that the preacher as a person does not disappear’, pp 325-326).

Juist de participatie van prediker en gemeente, en ook, mirabile dictu, van de ‘wereld’, in het gebeuren van de woorden Gods in het heden, stimuleert een bepaald soort honger. Een honger naar exegese en theologie, naar gemeinsames Leben met de gemeente en naar gebed, naar politieke bewustwording en vigilance, naar onderdeel zijn van wat in een cultuur gaande is. Is dat niet wat grootmeesters als Kornelis Miskotte, Tom Naastepad, Gerhard von Rad, Hans Joachim Iwand en Eberhard Jüngel ons voorleefden in hun prediking?

Kees van Ekris

C.M.A. van Ekris is predikant te Zeist en studieleider van Areopagus/IZB. Hij bereidt een homiletisch proefschrift voor over de profetische dimensie in prediking (Making See. A Grounded Theory of the prophetic dimension in preaching).

 Eberhard Jüngel, Lutherse preken bij het Oude Testament. Vertaald en ingeleid door Willem Maarten Dekker, Skandalon 2017, € 19,95