Het hernomen subject van de techniek

logoIdW

 

Jacques Ellul en het technische discours (II)

 

In hoeverre is taal in staat het discours van de heersende techniek te doorbreken? Het is een vraag die opkomt bij de 20e eeuwse theoloog Jacques Ellul, als deze in de traditie van de oudtestamentische profeten de techniek aanwijst als het object van moderne afgoderij. In wat volgt zullen we – in tegenspraak tot Elluls zienswijze – bepleiten dat de overheersing van de techniek geen fataliteit is.

De onstoffelijke mensheid

De periode waarin Jacques Ellul zijn kritiek op de techniek verwoordt, is ook de periode waarin Jacques Lacan (1901-1981) een psychoanalytische hypothese ontwikkelt volgens welke de taal de menselijke psyche haar wet oplegt op een manier die even onontkoombaar is als voor Ellul de techniek. Hij verwijst daarbij naar het werk van Saussure en Levi-Strauss en naar hun theorieën van het structuralisme. Maar bij Jacques Lacan gaat het om het herinvoeren van de instantie van het subject, wat de facto een kritiek inhoudt op de technische afdwalingen van de psychoanalyse: hij hekelt de pretentie van de psychanalyse een human engineering te kunnen ontwikkelen. De mens is een taalwezen, en als zodanig onderworpen aan de wetten van de taal. Het subject “wordt gesproken”, eerder dan dat het spreekt, zelfs wanneer het zich als subject hiertegen verzet. Vanuit een evolutionair perspectief zou je je kunnen afvragen of het de mensheid is die geleidelijk zijn taalkundige gereedschap heeft ontwikkeld of dat omgekeerd de homo faber en de homo sapiens niet juist het resultaat zijn van het ontstaan van de taal; waarschijnlijk beide tegelijkertijd, in een spel van opeenvolgende aanpassingen en terugkoppelingen. Hoe dan ook, bij Lacan legt de taal zich door de psychologische en sociale geladenheid van zijn symbolische structuren aan ons op als de techniek bij uitstek. De concrete technieken zijn hier slechts de weerslag en afdruk van in het reële.

Het vroege christendom werd geconfronteerd met een gnostisch en platonisch discours volgens welk de God van het Oude Testament niet meer dan een kwade wereldschepper (‘demiurg’) zou zijn, die alles zou hebben verpest in het rampzalige avontuur van de incarnatie van het Woord. De kerkvaders reageerden hierop door te stellen dat het God er niet om ging zich aan de verplichtingen van de incarnatie te onttrekken, maar dat hij er zich volledig in openbaarde en ze van a tot z voor zijn rekening nam. Bij Jacques Ellul is er sprake van een demiurgische voorstelling van de techniek: hij denkt in termen van een incarnatie van het menselijke Woord in of door de techniek, en hij ziet dit als een kwaad. Hiertegenover valt in te brengen dat als product van de taal de techniek wel degelijk constitutief is voor de menselijkheid van ons zijn. Praten en denken, dat is zich reeds gedragen als technici, in de zin dat we afhankelijk zijn van de betekenisstructuren die de taal ons ter beschikking stelt. Als verlengde van de taal is de techniek de uitdrukking, zo niet de incarnatie, van het menselijke creatieve vermogen, naar het beeld van de ‘technische’ God van het Oude Testament. We kunnen niet zonder technologie, net zomin als we zonder taal kunnen, omdat de techniek, als een product van de taal, integraal deel uitmaakt van ons wezen. Als de techniek het hele wezen van de mens doordringt, dan is dat niet vanwege een of andere ‘val’, maar omdat het menselijke Woord slechts ‘vlees wordt’ door middel van techniek.

Het samenspel van de onderwerping

Omdat we er geen genoegen mee nemen enkel gebruikers te zijn van de taal, zijn we ook dichters van de taal. En hetzelfde geldt voor de techniek, we zijn niet alleen gebruikers, we zijn ook kunstenaars. We zijn slechts in zoverre aan de techniek onderworpen dat we er subjecten van zijn. De vraag is: hoe kunnen we ontsnappen aan de fascinatie die de voortbrengselen van ons technische vermogen bij ons oproept, en ons bevrijden van de onderworpenheid die daarvan het resultaat is? Niet anders dan door zelf de dingen ter hand te nemen! Wanneer we ons de handelswijze eigen maken die het gereedschap, dat we zelf hebben ontwikkeld, ons oplegt, dan wil dat nog niet zeggen dat we dit gereedschap niet zijn oude bestemming terug kunnen geven, en het zo met terugwerkende kracht in dienst kunnen stellen van onze eigen doeleinden. Net als de God-smid van Jesaja, of de scheppende dichter-God van het eerste hoofdstuk van Genesis, zijn wij, in en door middel van de techniek, de smeden – en in en door middel van de taal, de dichters – van onze eigen geschiedenis. Dit wordt gesuggereerd door Jacques Lacan wanneer hij opzettelijk de term ‘techniek’ gebruikt om de psychoanalyse te beschrijven – een techniek die daarin schuilt dat zij (de psychanalyse) de poëtische functie van de taal gebruikt om de taal haar rol terug te geven van symbolische bemiddelaar van het menselijk verlangen. Maar in de opeenvolging van acties en reacties waaraan de mens, de taal en de techniek zijn onderworpen, waar komt het subject voor? Waar hebben we het te zoeken?

Op ten minste één punt lijkt de voorspelling van Jacques Ellul te worden tegengesproken, het betreft het gevaar van de groeiende macht van de staat. Het politieke domein heeft zich onder invloed van liberale theorieën – die tot op zekere hoogte Jacques Elluls goedkeuring konden wegdragen, zoals blijkt in zijn artikel De overwinning van Hitler – vandaag de dag volledig overgeleverd, niet aan de almacht van de staat, maar aan de almacht van de financiële wereld. Sinds het einde van de Koude Oorlog hebben de ‘financiële markten’ de staten onderworpen aan hun verplichtingen, hun eisen en hun euvels. En het belangrijkste argument dat tot deze ‘revolutie’ heeft geleid – argument aangevoerd door de ultraliberale propaganda – is de demonisering van de staat. De financiële wereld onttrok zich aan de controle van de politiek. Dit is een belangrijke factor van ontmenselijking gebleken. Door de staat te demoniseren breng je de politiek in diskrediet, en de politiek is het enige domein waarbinnen een subject van de algemene wil (volonté générale) zich kan doen gelden – een algemene wil, die zijn Woord aan de techniek oplegt. Aan de financiële techniek, aan alle techniek.

Als een andere wereld menselijkerwijs mogelijk is, zal deze niet tot stand komen door een iconoclasme net zomin als door een ‘technoclasme’, maar door het opnieuw invoeren, in het discours van de techniek, van het subject met zijn wil en zijn verlangen, hoe vluchtig en ongrijpbaar dit subject ook mag zijn: wo Es war, soll Wir werden. Waar het Es van de techniek was, zal het Wij van de politiek moeten komen. Zonder een staat die de autonomie van het politieke domein vertegenwoordigt, die de algemene wil (volonté générale) zowel belichaamt als in staat stelt zich te doen gelden, is het idee van een subject van de techniek die deze techniek haar menselijkheid teruggeeft volkomen illusoir.

Richard Bennahmias

Drs. R. Bennahmias is predikant van de Waalse gemeenten van Amsterdam en Haarlem