Herausforderungen

logoIdW

 

Je moet geen appels met peren vergelijken. Dat weet iedereen. Maar wat als je appels met appels vergelijkt? Wat gebeurt er? En waar let je dan op? Die vragen waren in feite aan de orde in De Glind, waar van 5-7 maart de 36e Barth-Tagung werd gehouden. Daar werd namelijk de theologie van Bonhoeffer vergeleken met die van Barth: Bonhoeffers theologischer Weg als Herausforderung an Karl Barth. Je kunt natuurlijk zeggen dat een appel een appel is, en dat het voor de rest aan de fijnproevers is om de overeenkomsten en verschillen te benoemen. En toegegeven, de Barth-Tagung is ook wel een feestje voor fijnproevers die zich verheugen in het over en weer benoemen van alle nuances in kleur, vorm en smaak. En om mee te kunnen doen moet je ook nog eens (om maar in de beeldspraak te blijven) door de zure appel van het ‘deutschsprachige’ heen bijten om tot de kern te komen. Maar het bij deze constateringen laten, zou geen recht doen aan wat er op de Barth-Tagung gebeurt. Het zou ook geen recht doen aan wat er in de theologie van Bonhoeffer en Barth op het spel staat.

Bonhoeffer en Barth bevinden zich in hetzelfde geestelijke spectrum, wat het zoeken naar overeenkomsten en verschillen iets betrekkelijks maakt. Toch is zo’n vergelijking een kans om voor het eerst of opnieuw onder de indruk te komen van hun geweldige zeggingskracht. Die reikt ver voorbij het verleden waarin zij schreven en handelden. Wat Barth en Bonhoeffer gezamenlijk hebben, namelijk een krachtige inzet bij een theologie van de openbaring en een kernachtige focus op de christologie, is zonder twijfel ook relevant voor de kerk van de 21e eeuw. In een tijd waarin niet alleen in de wereld maar ook in de kerk alle dingen vloeibaar zijn geworden, geven deze inzet en focus de ruggengraat die nodig is om staande te blijven en vol te houden. Zoiets als een Barth-Tagung is dus geen overbodige ‘spielerei’, maar eenvoudige noodzaak. Daarbij is het gezamenlijk lezen en bespreken van primaire teksten in ‘Arbeitsgruppen’ een buitengewoon leerzame ervaring.

‘Von oben her’

De begrippen ‘theologie van de openbaring’ en ‘christologie’ zijn bedoeld om de concrete zaak waar het in het evangelie om gaat aan te duiden. De kerk en het geloof leven van een God die spreekt, die zich in Jezus Christus uitgesproken heeft en zich telkens weer uitspreekt in Woord en Geest. Het is Barth en Bonhoeffer te doen om de concentratie op dit concrete spreken als daad van God. Tijdens het eerste referaat van de Tagung ging Edward van ‘t Slot (in het verlengde van zijn proefschrift) in op de vraag hoe Barth en Bonhoeffer dit spreken verstaan. De vroege Barth heeft het spreken van God ‘actualistisch’ opgevat: van geloof en kerk is alleen sprake op het moment dat God zich uitspreekt. Daarbuiten is er geen geloof en geen kerk. Kortom: er is geen continuïteit. Bonhoeffers inzet is dezelfde als Barth, maar hij bekritiseert al snel dit ‘actualisme’. In plaats daarvan zoekt hij naar continuïteit, maar dan wel van God uit, niet vanuit de mens. Die vindt hij in het ‘in Christus’ zijn. De kerk is ‘Christus als Gemeinde existierend.’ Hier ligt dus een ‘herausforderung’ van Bonhoeffer aan Barth.

Eenzelfde uitdaging van Bonhoeffer aan het adres van Barth is er op het veld van de ethiek. In het tweede referaat schetste Philip Ziegler (Aberdeen) Barth en Bonhoeffer als ‘kartografen’ die op het ‘veld van de ethiek’ de ‘route’ uitstippelen waarlangs het christelijke leven zich in vrijheid en verantwoordelijkheid kan voltrekken. Barth en Bonhoeffer verzetten zich beiden tegen een denken vanuit een gegeven ‘scheppingsorde’, alsof daaruit min of meer ‘vanzelfsprekend’ ethische imperatieven zouden opkomen. Beiden willen ook in de christelijke ethiek denken van God uit, van de openbaring uit. Barth doet dat vanuit het ‘gebod van God’, waar ook iets actualistisch in zit, iets waardoor de ethiek ogenschijnlijk (!) nooit echt concreet wordt en waardoor het kan lijken (!) alsof de concrete beslissingen ‘situationeel’ bepaald worden. Bonhoeffer daarentegen gebruikt in zijn ‘aanzetten voor ethiek’ het begrip ‘mandaat’. Met deze mandaten (waarvan hij er vier onderscheidt: de kerk, het gezin en het huwelijk, de arbeid en de overheid) lijkt Bonhoeffer te wijzen op een aantal ‘levensterreinen’ die zich altijd en overal voordoen en die gezien moeten worden als ‘velden’ die God gegeven heeft om het leven te ordenen. Deze velden komen echter alleen tot hun recht wanneer ze worden gezien vanuit Christus (‘von oben her’) die zijn aanspraak erover laat gelden en zo de mens verantwoordelijk maakt voor zijn handelen. Ook hier lijkt bij Bonhoeffer meer aandacht voor ‘continuïteit’ in het christelijke leven dan bij Barth. Vrij vertaald: in tijden waarin alles vloeibaar lijkt te worden, zijn er van God gegeven structuren waar de kerk om Christus’ wil aan vast mag houden.

Het schema van de wereld

Nu kun je deze posities van Barth en Bonhoeffer analyseren en met elkaar vergelijken, maar de vraag is natuurlijk wat de relevantie van hun inzet is voor de kerk in de 21e eeuw. Barth en Bonhoeffer stonden immers beiden nog met één been in de negentiende eeuw. Zij leefden en schreven in een samenleving die nog volop door het christendom gestempeld was. De kerk van vandaag bevindt zich echter in de overgang naar een post-christelijke samenleving. Ze heeft niets meer ‘om bij aan te sluiten.’ Voor welke ‘herausforderungen’ staat zij dan en wat kan ze daarin van Barth en Bonhoeffer leren?

Op die vraag ging Bernd Wannenwetsch (Gieβen) in tijdens het derde referaat. Met Bonhoeffer stelt hij dat de ‘geestelijke situatie’ van onze tijd niet gemeten kan worden aan de maatstaven van ‘succes’ of ‘mislukking’. Wat er werkelijk speelt is voor onze ogen verborgen. Het kan alleen gezien en gepeild worden ‘in het licht van het evangelie’ en ‘onder het oordeel van de Heilige Geest.’ Met andere woorden: de kerk komt niet tot helderheid met haar goede bedoelingen, haar dromen en (missionaire) methoden, maar wel door zich te verootmoedigen, te wachten op en te bidden om het licht van het evangelie en de komst van de Heilige Geest. Beslissend is niet dat de kerk groeit en nieuwe leden erbij krijgt, maar dat zij als missionaire kerk zelf nieuw wordt. Dat gebeurt wanneer zij het scheppende Woord dat ‘alle dingen nieuw maakt’ zelf ervaart. ‘Christus is das Ende des Alten. Nicht Fortführung, nicht Zielpunkt, Vollendung auf der Linie des Alten, sondern Ende und darum das Neue. Die Kirche redet in der alten Welt von der Neuen Welt. (..) Die alte Welt läβt sich nicht gerne tot sagen. Darüber hat sich die Kirche nie gewundert.’

Niet alleen de inzet bij het concrete spreken van God in Jezus Christus is dus (opnieuw) relevant, maar ook de religiekritiek van Barth en Bonhoeffer kan niet gemist worden. Wannenwetsch wees daar in zijn referaat ook op. De post-christelijke samenleving in het Westen wordt niet bepaald door een ‘vrolijke’ secularisatie, maar verliest zichzelf in anonieme vormen van ‘collectieve aanbidding’, bijvoorbeeld van de min of meer vrijwillige ‘onderwerping aan de heerschappij van geheime algoritmen.’ Op dit punt heeft de kerk vanuit het evangelie een heldere en bevrijdende boodschap van de aanbidding van Jezus Christus als Heer van de wereld en Hoofd van de kerk. Ook wanneer de kerk door de samenleving steeds vaker gezien wordt als ‘religie-expert’, dan hoeft ze niet naiëf te zijn en te hopen dat ze zo ‘Modernitätsfähig’ wordt. Ze mag zich laten leiden door het evangelie en zijn ‘seismografische potentie’. De kerk moet niet leven naar het ‘schema’ van deze wereld, maar zich (laten) vernieuwen in haar denken om zo te ontdekken wat God wil (Rom. 12:2).

Evensong

Tenslotte, dat de kerk niet alleen een sprekende, maar ook een biddende en zingende kerk is, daaraan herinnerde Hanna Rijken. In de tijd dat Bonhoeffer in Engeland was, heeft hij de Evensongs leren kennen en waarderen. Op allerlei plekken in zijn werk zijn daar duidelijk de sporen van terug te vinden, terwijl bij Barth de praktijk van lofzang en gebed vaak meer stilzwijgend verondersteld wordt. Hanna deed verslag van haar promotieonderzoek naar de opkomst van de Engelse Evensongs in Nederland. Vaak krijgt dat de vorm van een concert. De kerkelijke vormen en uiterlijkheden worden gekopieerd, maar evengoed worden theologisch-liturgische elementen achterwege gelaten, al naar gelang het uitkomt. Kort door de bocht: de Evensong kan in Nederland een Event-song worden. De missionaire kracht ervan is echter dat ervaring van schoonheid kan leiden tot een ervaring van het heilige. Dan kan het ook een goed middel zijn om de lofzang gaande te houden, ‘aan de avond van dag, aan de avond van het leven, aan de avond van de wereld.’

Krijn Hage
K. Hage is predikant in Breukelen