God voor de poort

logoIdW

Preekfragment bij Ps. 24:7-10

Midden in Berlijn staat de Brandenburger Tor. Hij staat daar waar de stad vandaag de dag in twee stukken uiteenvalt: Oost-Berlijn aan de ene, West-Berlijn aan de andere kant. De poort daartussen is met een muur afgesloten. Wie daaroverheen wil, riskeert zijn leven.

In Jeruzalem staat de Amandelboompoort; precies daar waar vandaag de dag de grens tussen het Jordaanse en het Israëlische deel van de stad loopt. De poort is gesloten. Slechts bij bijzondere gelegenheden kan men er zonder gevaar doorheen.

De Brandenburger Tor in Berlijn en de Amandelboompoort in Jeruzalem zijn twee wereldberoemde getuigen van de botsing tussen twee werelden. De twee wereldberoemde poorten zijn representatief voor het grote aantal onbekende poorten en deuren gemaakt van steen en staal, maar ook van vlees en bloed, waar zich in het klein herhaalt wat hier in het groot gebeurt.

Voor al deze poorten en deuren staat een koning die door de gesloten poorten en deuren van de wereld wil. God buiten de poorten van de wereld vraagt toegang. Hij wil naar binnen. Doe de poorten wijd open, en verhef de deuren van de wereld, zodat de koning der glorie binnenkomt!

Poort en deur – in feite zijn ze er toch om door hen binnen te gaan in het land, in de stad, in het huis of in de kamer. De meesten van ons zijn vast weleens door een oude stadspoort gegaan. Tegenwoordig is zo’n poort meestal een beschermd monument. Vroeger beschermde hij echter zelf het leven van de stad. Hij gaf toegang tot de handel op de markt, tot het proces in de rechtbank, tot de deelname aan de kerkdienst, tot het bezoeken van de burgers. Maar je kon ook worden geweerd bij de stadspoort. Net zoals bij ons de deur ook niet voor iedereen openstaat. Wie er niet welkom is en wie er niet bij hoort – voor diegenen blijft de deur gesloten.

Poorten en deuren staan niet altijd en voor iedereen op dezelfde manier open. Ze kunnen ook gesloten zijn, en als er gevaar in aantocht is worden ze vergrendeld en gebarricadeerd. ‘Hannibal voor de poorten!’ – die betekende ooit voor Rome: een groot gevaar dreigt! De poorten van de stad worden op zulke ogenblikken bolwerken, zodat de vreemde wereld die dreigend dichterbij komt niet kan binnenkomen.

God voor de poorten! Is het een alarmkreet? Botsen ook hier twee vreemde werelden op elkaar? Twee werelden die in het beste geval elkaar niets te zeggen hebben? – Nee, onze psalm zegt heel duidelijk: hier botsen niet twee werelden op elkaar, hier botsen de wereld en de Heer der wereld op elkaar. Degene ‘van wie de aarde is en wat haar vervult, de wereld en wie daarop zijn gezeten’, die staat voor de poort. De vierentwintigste psalm begint met een lofprijzing van God als de Heer van de wereld, en vraagt dan in de volgende verzen toegang tot de wereld voor deze Heer van de wereld, of preciezer: toegang tot het centrum van de wereld, tot het heiligdom en de tempel waarvan men zegen verwachtte voor de stad, het land en het volk.

Een raar idee: God is niet in de tempel, maar op weg daar naartoe. Een heiligdom in het centrum van de wereld en God is er niet in, maar buiten voor de poort. Dat lijkt griezelig. En inderdaad: zolang wij onze blik op het goddeloze heiligdom richten, zolang we ons concentreren op de wereld zonder God, is de aanblik spookachtig. Een tempel zonder God is geen tempel. Een wereld zonder God is niet de wereld. Net zoals een mens zonder hart geen mens meer is, maar een harte-loos spook.

Maar nu leidt de psalmist onze aandacht niet naar het heiligdom zonder God, maar naar God voor de poort. Het gaat niet om een spookachtige wereld, maar om de God die alle spoken verdrijft. In verheven tonen wordt verteld van de komst van de Heer. Alle aandacht concentreert zich op wat er gebeurt voor de poort.

Het is de poort die iedere gelovige moet passeren als hij binnengelaten wil worden in het heiligdom. Daar bij de poort moet hij zich verantwoorden, moet hij zich bewijzen als iemand die het waard is om de heilige ruimte te betreden. ‘Wie mag klimmen op de berg van de ENE, wie mag staan op de plaats waar zijn heiligheid is?’ Daarop antwoorden duidelijke voorwaarden. Alleen wie aan deze voorwaarden voldoet, mag naar binnen.

Het idee van een tempel zonder God is zeker vreemd. Maar wat we nu zien, is nog veel vreemder. Op de weg van de mensen naar het heiligdom komt God mee. De eeuwige God op aardse wegen, de hemelse Heer op onze straten. Hij onderwerpt zich aan de regels van het menselijk verkeer en vraagt toegang bij de poort. Hij klimt niet over de muur, hij komt niet loodrecht van boven, zoals bij hem zou passen, maar hij maakt zich aan de velen gelijk en verantwoordt zich aan de poort. En toch is hij de koning der glorie! Bij de poort identificeert hij zich als de sterke, de held, de overwinnaar in de strijd, die elke poort in de wereld tot triomfboog kan maken, om er met glorie doorheen te trekken. De geweldige komt, maar niet met geweld. De machtige heeft geen macht nodig om in zijn eigendom binnen te treden, maar legitimeert zich bij de wachters aan de poort.

De Heer voor de poorten – dat is dus iets anders dan de angstwekkende roep ‘Hannibal voor de poorten!’ God voor de poorten – dat betekent: iemand wacht erop dat hem van binnenuit opengedaan wordt. Advent is wachtenstijd. Wij vieren haar in de regel als de tijd van de wachtende gemeente, als de wachtenstijd van hen die op de Heer hopen. Advent is echter vooral de wachtenstijd van God: de tijd van de op zijn wereld wachtende Heer; tijd van God die binnen wil komen en erop wacht dat voor hem de poorten en deuren in onze wereld van binnenuit, door mensenhand, door ons geopend worden.

In plaats van de oude, prachtige poorten aan de grenzen van de stad en het rijk zijn tegenwoordig deuren van een andere soort gekomen. Ze zien er moderner, onopvallender uit. Maar ze zijn er. Niet iedereen kan in Zürich wonen. Niet iedereen kan een vreemd land betreden. Wie zoals ik uit een van de landen van het Oostblok komt, kan daarover meepraten. Alleen degenen die zich op de luchthavens en treinstations kan identificeren als een legale immigrant mag binnengaan door de poorten van de wereld. De orde van de staat vereist het.

En iedereen die de krant leest, zal ’s nachts zijn voordeur zorgvuldig vergrendelen. Zelfs kamerdeuren worden soms uit achterdocht afgesloten, wanneer een vreemde het appartement met ons deelt. Een bank zonder beveiligde deuren verdient weinig vertrouwen. Een redelijke wereld heeft behoefte aan poorten en deuren die open kunnen, maar ook gesloten kunnen worden. Gezond verstand vereist het.

Maar meer nog dan kluizen, steden en staten heeft de mens in zichzelf een deur nodig – niet van steen of staal (die veel te kwetsbaar zijn), niet door de mens gemaakt, maar met de mens gemaakt. Een deur, niet om doorheen te gaan, maar om met zich mee te dragen. Een deur in onszelf die ons opent of afsluit, die ons open of gesloten mensen laat zijn, elk op zijn tijd. Bij deze deur in ons hart vallen beslissingen voor het leven. Bij deze deur wordt besloten wie tot ons leven behoort en wie niet; wie ons leven mede bepalen mag en wie het stemrecht ontzegd blijft; wie ons leven verrijken mag en van wie wij niets willen accepteren.

Ook en vooral op deze deur klopt de adventspsalm. Het verhaal van de komst van de Heer in zijn heiligdom wordt tot woord van God aan ons, dat toegang vraagt voor de wachtende Heer. God breekt ook deze deur niet open, maar spreekt met ons en tot ons. Hij vraagt ons om onszelf voor hem te openen. Hij streeft ernaar dat wij hem stemrecht geven in ons leven. En bovenal: God vraagt of hij ons leven verrijken mag, verrijken mag met zichzelf. De koning der ere geeft ons die eer. Wie zonder eer is onder de mensen, die heeft de koning der glorie aan zijn zijde. En wie eer heeft gevonden bij de mensen, mag die inruilen voor de eer van de Heer. De sterke, de held, de overwinnaar in de strijd komt niet om met ons te vechten, maar om voor ons te winnen. Hij heeft immers duidelijk genoeg uitgelegd wie hij is.

Gods Woord stelt God aan ons voor en noemt hem bij zijn naam, wanneer het voor hem bij ons toegang vraagt. God sluipt niet onder een valse naam naar binnen. Hij komt als de Heer. Zonder enig understatement geeft hij te kennen dat hij voor ons wil winnen in elke strijd van het leven waarin we verstrikt zijn. God wint echter voor ons door ons voor zich in te winnen. Wie God binnenlaat, moet zich geheel op hem verlaten. Je kunt hem niet onder een pseudoniem ontvangen, om je in geval van nood van hem te distantiëren zoals diplomaten in de oorlog met elkaar omgaan. Diplomatieke betrekkingen met God zijn uitgesloten. De poorten moeten veeleer wijd opengedaan worden. In de oorspronkelijke tekst staat dat nog duidelijker dan in de mooie vertaling van Luther: ‘Heft uw hoofden omhoog, poorten. Rijst op, o eeuwige deuren!’ De poorten moeten als het ware groter groeien dan ze zijn om God binnen te laten. God vult de gehele ruimte waarin hij komt.

[…]

Eberhard Jüngel