De Geest onderscheiden – een bespreking

logoIdW

 

De Geest onderscheiden van ds. Andries Zoutendijk en dr. Willem Maarten Dekker is een mooie studie over een belangrijk en actueel thema: het persoon-zijn van de Geest. Over het werk van de Geest is de afgelopen jaren het nodige geschreven, maar specifieke studies over het persoon-zijn van de Geest zijn er niet veel, terwijl de persoon van de Geest en de aard van zijn werk nauw samenhangen. Dekker en Zoutendijk hebben dit thema opgepakt en zijn gekomen met een boek vol met mooie historische doorkijkjes en creatieve ideeën. In deze boekbespreking geef ik eerst een kort overzicht van de inhoud, om vervolgens op twee thema’s wat dieper in te gaan.

Na de inleiding volgt in het boek een bijbels-theologisch deel. Hierin komen de auteurs tot de conclusie dat de Geest in de Bijbel een persoon is, die moet worden onderscheiden van de Vader en de Zoon. De Geest handelt namelijk zelfstandig. Om twee voorbeelden aan te halen: in het bijbelboek Handelingen spreekt de Geest in de ‘ik’-vorm, en in het evangelie van Johannes wordt de Geest – zoals bekend – de Parakleet genoemd. Deze is een vertolker, en vertolken is ‘het vrije werk van een persoon’ (113).

In het volgende, theologiehistorische deel worden tal van theologen besproken. Een belangrijke conclusie is dat het in de geschiedenis nauwelijks is gelukt de zelfstandigheid (zowel in de heilsgeschiedenis als in de triniteit) van de Geest na te denken. Vaak wordt Hij gezien als de kracht van de Vader en de Zoon en als de band van de liefde in plaats van als een eigen persoon die ook zelfstandig handelt. Dat wordt in het laatste, dogmatische hoofdstuk wel gedaan. De Geest wordt duidelijk onderscheiden van de Vader en de Zoon en zijn werk van hun werk – zijn werk is namelijk alleen maar eschatologisch, want de Geest is de Voleinder. Dit wordt uitgewerkt in een nieuwe (?) visie op de triniteit, om tot slot kort aan te geven wat dit betekent voor de gemeentepraktijk.

Kortom, het is een rijk boek, met een schat aan informatie. Maar het roept ook vragen op. In dit artikel – een bewerkte en verkorte versie van de reactie die ik gaf tijdens de presentatie van het boek – cirkelen deze rondom twee thema’s, namelijk rond de universele werking van de Geest (1) en rond de praktische toepassing (2). De vragen die de creatieve visie op de triniteit oproept, laat ik rusten. Voor de liefhebber zijn deze te vinden op www.theoblogie.nl/degeestonderscheiden.

Universele werking van de Geest

Zoutendijk en Dekker stellen dat de Geest universeel werkzaam is, en dat ook dit werk eschatologisch is. Dat is een mooie gedachte: door het werk van de Geest als ‘alleen maar’ eschatologisch te zien, worden de universele werking van de Geest en zijn werk sinds Pinksteren bij elkaar gehouden. Bij deze gedachte wil echter ik een aantal opmerkingen plaatsen.

Er is een spanning aanwijsbaar in de beschrijving van wat eschatologisch is. Op bladzijde 73 staat dat ‘de Geest woont in de gelovigen en drijft de wereld uit naar het eschaton’ – wat een beeld oproept van de Geest die de wereld voor zich uitduwt richting het einde: een pijl van links naar rechts, van het begin van de schepping naar het einde. Op bladzijde 195 staat echter dat ‘de Geest is solidair met ons en de schepping vanuit Gods toekomst’. Dan wijst de pijl echter de andere kant op: vanuit de toekomst naar het nu. Deze twee beschrijvingen lijken me lastig samen te denken – de pijl van links naar rechts en van rechts naar links.

Belangrijker is echter het volgende. Als ervan uit wordt gegaan dat het werk van de Geest eschatologisch is, wat betekent dat dan voor de verhouding van de Geest en de niet-gelovige mens? Kan dan nog worden gesteld dat de Geest een ‘verborgen omgang’ heeft met ieder mens, of is dat niet mogelijk?

Ik wil deze vraag toelichten aan de hand van een citaat uit een artikel van Jurjen de Bruijne, missionair pionier, ongeveer een jaar geleden gepubliceerd in het Nederlands Dagblad. In dit artikel geeft hij namelijk woorden aan het motief dat achter deze vraag zit. De titel van het artikel luidt: ‘Moeilijk om te praten over God’. Een paar zinnen eruit: spreken over God kan alleen vanuit de dagelijkse ervaringen. Uit de ontmoetingen met anderen. Even verderop: het gaat erom dat je leert onderscheiden. Welke verlangens, welke gedachten, welke ideeën zijn Gods ondertiteling van ons leven? Die verlangens, gedachten en ideeën benoemen of leren onderscheiden – kijk, daar heb je hem – dat is wat spreken over God is. Achter deze zinnen zit de spiritualiteit van zijn jezuïtische begeleider. De kerngedachte is dat de Geest een ‘verborgen omgang’ – dat zijn mijn woorden – heeft met ieder mens. Ook met onze seculiere buurman en met de voor het jaar nul levende indiaan. Dezelfde gedachte kom ik ook tegen bij Halík en bij Rahner en is van belang om het leven van alledag te kunnen verbinden met God. Maar ik vermoed dat het lastig is om een verborgen werking van de Geest in ieder mens te veronderstellen als de Geest ‘alleen maar’ eschatologische werk wordt toegeschreven. Wellicht kan worden gezegd dat de verlangens van onze buurman met de Geest te maken. Maar is dat dan nog eschatologisch te noemen?

Ik denk dat we met deze vraag beter uit de voeten kunnen als we het werk van de Geest zeker met het oog op de antropologie niet beperken tot de eschatologie. Met bijvoorbeeld Rahner en Barth[1] wil ik stellen dat de mens door het werk van de Geest een eenheid is van geest en lichaam, transcendent is en ook een gerichtheid op God kent. Het valt overigens op dat Gen. 2:7 in het boek niet echt aan de orde komt. Dit vers wordt wel even in de slotparagraaf aan de orde gesteld, maar niet als mogelijke tekst die wijst op de schepselmatige werking van de Geest. Zo is die tekst echter wel vaak begrepen, bijvoorbeeld door Karl Barth, die in zijn de antropologie in KD III,2 regelmatig ingaat op deze tekst. De Geest doet ons niet alleen bidden tot de Vader, maar doet ons zelfs ademen. Ons ademen wordt ons toegeademd. Het is in lijn met de kerkvaders, die, zoals de auteurs aangeven, de heilige Geest gelijk stellen met de adem van Gods mond. Is de Geest dan niet betrokken bij de schepping van de mens, zo vraag ik me af?

Het belang voor de gemeentepraktijk

In de inleiding schrijven de auteurs dat in de studie ‘een antwoord wordt gezocht op de vraag of en in welke zin de heilige Geest een persoon genoemd moet worden …. en wat de praktische betekenis hiervan is voor de christelijke gemeente en de geloofsbeleving.’ (11) Dat laatste maken ze waar door in het kort in te gaan op het belang voor de gemeentepraktijk, specifiek voor de sacramenten, de prediking, de liturgie, het pastoraat en de catechese,  waarbij steeds weer het uitgangspunt is dat de Geest een Tegenover is (198,199). Hij staat tegenover de kerk en tegenover pastor en pastorant. Twee opmerkingen hierbij.

De eerste betreft de verhouding tussen de Geest en de kerk.  De Geest is geen gevangene van de kerk, zo wordt min of meer contra de traditionele rooms-katholiek ecclesiologie  gesteld (194). Dat uitgangspunt deel ik. Het blijft echter open hoe de auteurs deze verhouding dan wél zien. Terzijde wil ik vanwege het oecumenische belang opmerken, dat volgens één van mijn promotoren, prof. Jozef Wissink, de rooms-katholieke theologie ook niet zegt dat de kerk de Geest in bezit heeft. Als de klassieke teksten gelezen worden, is de leesregel: habere ist haberi. Hebben is gehebt worden. De kerk bezit de Geest niet, maar wordt door de Geest bezeten. De kerk wordt gezien als instrument van de kerk, wat mij betreft een aansprekende gedachte is.

Opvallend is dat als wordt ingegaan op het belang voor de gemeentepraktijk, zowel de missie (het missionair gemeentezijn) als de charismata niet genoemd worden, terwijl dat wel twee actuele thema’s zijn die betrekking hebben op de praktijk van de gemeente en goed passen in een boek over de persoon en het werk van de Geest. Er worden mooie dingen geschreven over de charismata (195, 196), maar helaas wordt niet ingegaan op het belang voor de gemeentepraktijk.

Deze vragen nemen natuurlijk niet weg dat ik het een goed boek vind, en dat ik Andries Zoutendijk en Willem Maarten Dekker hartelijk wil danken voor deze studie, die veel biedt en genoeg te denken geeft, zoals de bovenstaande overwegingen laten zien.

Aaldert Gooijer

Dr A. Gooijer is predikant in Berkel en Rodenrijs

 

Willem Maarten Dekker, Andries Zoutendijk, De Geest onderscheiden. Een bijbels-theologisch, theologiehistorische en dogmatische studie over de heilige Geest als persoon, Boekencentrum, 2017, € 24,99

[1] Zie: Aaldert Gooijer, De Geest in schepping en verlossing. De betekenis van Pinksteren in de theologie van Karl Rahner en Karl Barth, Zoetermeer: Boekencentrum, 2016.