De eenheid in het geding

4. POLITIEKE BESLISSINGEN EN DE DIENST VAN DE GEMEENTE

Als toelichting bij de inhoud van Barths brochure Over de politieke beslissing in de eenheid van het geloof worden in dit en het volgende hoofdstuk enkele fragmenten uit zijn Kerkelijke Dogmatiek geplaatst. Deze fragmenten kunnen tevens gelezen worden om de samenhang van de concrete politieke beslissingen van Barth en zijn kritische en soms geïsoleerde positie in de kerk beter te begrijpen, zoals daarover in het vorige hoofdstuk is gesproken.

De dogmatische fragmenten in dit en in het volgende hoofdstuk zijn vooral afkomstig uit K.D. IV/3-2. In dit derde deel van zijn verzoeningsleer Jezus Christus, de waarachtige getuige, behandelt Barth het profetische ambt en werk van Jezus Christus. In Hem handelt God voor en met de mens en spreekt Hij ook tot de mens. Dat in Hem de mens gerechtvaardigd en geheiligd is voor God, impliceert ook – en daarover spreekt Barth in de tweede helft van dit deel – dat de mens is geroepen als zijn getuige en dat de gemeente is gezonden tot zijn dienst in de wereld.

In dit hoofdstuk laat ik Barth aan het woord over deze dienst van het getuigenis, die onder meer concreet gestalte krijgt in politieke beslissingen van de christen en de gemeente. Barths uitspraken hierover zijn dogmatisch: zij beschrijven de werkelijkheid van de gemeente, haar wezen, haar opdracht van Godswege. Dat deze uitspraken soms haaks staan op de alledaagse realiteit, dwingt de gemeente zich kritisch te bezinnen op haar praktijk. Niet als beschrijving van het kerkelijk leven als zodanig, maar in deze kritische functie is de dogmatiek praktisch.

4.1 De gemeente in de wereld

Voordat Barth spreekt over de dienst van de gemeente met alles wat deze dienst inhoudt, behandelt hij eerst de existentie van de gemeente in de wereld(1). Wat gebeurt er in de wereld vanuit de gemeente gezien? Wat buiten de gemeente gebeurt, is niet vreemd aan God, niet onttrokken aan de wil van zijn liefde en de almacht van zijn barmhartigheid en wordt niet uitsluitend bepaald door de mens of door die gebeurtenissen zelf of door een andere heer. De gemeente zou haar Heer, die als Koning van Israël ook de Heer der wereld is, slecht kennen, als zij niet erkent dat de wereldgeschiedenis ook onder zijn regering staat. Meent zij soms daar van doen te hebben met een andere god, of met een andere wil van God dan die van zijn genade in Jezus Christus, en in zoverre met een door God met een andere bedoeling en in een andere geest geregeerd ‘rijk ter linkerzijde’? Ter linkerzijde kan alleen het nietige(2) zijn, de chaos, de onmogelijke mogelijkheid van het kwaad, dat door God teniet is gedaan. Jezus Christus, die gezeten is aan de rechterhand van de Vader, regeert daarom niet alleen in de gemeente maar ook daarbuiten in de wereld als Heer, maar dan wel verborgen. In die zin is er wel een onderscheid maar geen scheiding tussen de wereld en de gemeente. Het zou ongelovig en gedachteloos van de gemeente zijn de wereldgeschiedenis serieus te beschouwen als enkel ‘profane geschiedenis’.

Gods koninklijk regeren is wel het eerste en beslissende wat over de wereld en haar geschiedenis gezegd moet worden, maar niet het enige(3). Barth gaat daarbij uit van een Zwitserse spreuk: “Hominum confusione et Dei providentia (Helvetia) regitur”: door menselijke verwarring en door Gods voorzienigheid wordt er (Zwitserland) geregeerd. God regeert als het ware van bovenaf de wereldgeschiedenis, terwijl daaronder de geschiedenis wordt bepaald doordat mensen goed en kwaad met elkaar verwarren. De goede schepping wordt verward met het nietige, de chaos, die dan, doordat de mens beide laat gelden, elkaar niet uitsluiten maar elkaar relativeren en compromissen aangaan, waarbij het nietige het primaat krijgt. De wereldgeschiedenis is daardoor de voortgaande geschiedenis van de goede schepping en van de verwarring, waarin de goede schepping ondergeschikt wordt gemaakt aan het nietige. Zo wordt de wereldgeschiedenis gekenmerkt door de spanning tussen boven en onder, licht en duisternis, Gods regering en de menselijke verwarring. Deze spanning kan niet opgelost worden door beide tegengestelde elementen op te nemen in een synthese, die dan de kloof tussen beide moet overbruggen. Dat zou weer een nieuwe, ‘christelijke’ vorm van de menselijke verwarring zijn.

Maar er is nog een derde gezichtspunt: Jezus Christus, Gods genadige toewending tot de wereld(4). De mens in zijn verwarring wordt niet aan zijn lot overgelaten. In Christus is de wereld met God verzoend en is de mens, ieder mens, voor Hem gerechtvaardigd en tot zijn dienst geheiligd. De menselijke verwarring heeft geen bestaansrecht meer, nu deze in de wortel is uitgeroeid en de orde in de wereldgeschiedenis is hersteld door Christus. In Hem zijn God en de wereld van mensen wel onderscheiden maar niet gescheiden, niet twee maar één. In Hem wordt de kloof tussen beide rijken niet alleen overbrugd, maar gedempt, geslecht en gesloten. In Hem is het éne Rijk van God werkelijkheid geworden. De twee aspecten van de wereldgeschiedenis, de menselijke verwarring en Gods voorzienigheid, zijn daarmee niet verdwenen, maar er kan niet abstract, afgezien van het werk van Christus, over gesproken worden. De nieuwe werkelijkheid van de wereld is er al, maar nog verborgen en alleen in Jezus Christus kenbaar. Dat is aan de gemeente geopenbaard. Zij ziet daarom de wereld anders en doorziet de wereld, door de schijn van het tegendeel heen, als de reeds met God verzoende wereld. In haar geloof anticipeert zij op deze nieuwe werkelijkheid, die reeds is aangebroken maar nog niet ten volle geopenbaard, door vastberaden en vol vertrouwen te leven, te reageren en te handelen in de wereld.

De vraag naar de plaats van de gemeente in de wereld wordt bij Barth toegespitst op de vraag naar het kwaad, het nietige. Barth ontkent de realiteit van het kwaad niet, maar hij wil er niet over spreken als een zelfstandige grootheid. Over het kwaad kan alleen gesproken worden als een in wezen overwonnen zaak. Zo niet, dan zou het kwaad bestaansrecht krijgen als een zelfstandige macht naast of tegenover God. De gemeente, of de individuele gelovige, zou dan ook bij politieke beslissingen steeds rekening moeten houden met deze twee machten, die van God en die van het kwaad. Dit werkt verlammend, want bij elke keuze wordt aan een van beide machten tekort gedaan. Dan wordt het verleidelijk om helemaal maar geen beslissingen meer te nemen. Deze besluiteloosheid leidt ertoe, dat het kwaad ongehinderd zijn gang kan gaan. Er komt geen weerwerk. De status quo wordt geaccepteerd en bestaande politieke verhoudingen worden als onvermijdelijk aanvaard. Ook dat is een politieke beslissing, maar dan wel een die in tegenspraak is met alles wat ons in de bijbel over Gods grote daden wordt verkondigd. Het kwaad ìs door Christus overwonnen. Er ìs een toekomst, waarin vrede en gerechtigheid heersen. Dàt gelooft de gemeente, in dat licht ziet zij de wereld, in dat vertrouwen handelt zij in vastberaden beslissingen, tegen het kwaad, voor de toekomst zoals die in Christus al werkelijkheid is.

4.2 Beslissingen in de gehoorzaamheid van het geloof

De vastberadenheid en het vertrouwen, waarmee de gemeente in Jezus Christus de nieuwe werkelijkheid van de wereld en haar geschiedenis ziet, zoals hierboven door Barth uiteengezet, komen noodzakelijkerwijs tot uiting in bepaalde beslissingen(5). Zij vormen de toets: gelooft de gemeente in Jezus Christus of gelooft zij in zo’n synthese, die de wereldgeschiedenis moet verklaren en de kloof daarin tussen menselijke verwarring en Gods regeren moet overbruggen? De wens om voor beslissingen weg te vluchten, de zogenaamde vrijheid om ‘ja èn neen’ en ‘zowel – als ook’ te kunnen zeggen, en de neutraliteit, die al in de menselijke verwarring werkzaam is, bevorderen het geloof in de synthese. De gemeente echter ziet en weet, dat in Jezus Christus de beslissing reeds is gevallen, waardoor het haar onmogelijk gemaakt is toe te kijken, de wereldgeschiedenis te beoordelen vanuit een neutrale positie en zich terug te trekken in meditatie en in gesprekken omwille van het gesprek. De beslissing die in Jezus Christus is gevallen, is – tot eer van God en tot heil van de mensen – ondubbelzinnig en definitief de beslissing vóór Gods regering in de wereld en tégen de menselijke verwarring, voor de goede schepping en tegen het nietige, voor de nieuwe mens en tegen de oude die al geoordeeld is, voor de nieuwe wereld en tegen de oude die alleen nog maar kan vergaan.

De gemeente ziet deze beslissing, daaraan houdt zij zich en die volgt zij midden in de wereldgeschiedenis binnen de grenzen van de haar gegeven mogelijkheden, niet als passieve toeschouwers maar in actieve gehoorzaamheid, niet met grote en absolute maar met kleine en relatieve stappen. De komst van de nieuwe mens en zijn wereld en het vergaan van de oude kan zij niet zelf voltrekken, zij kan daar alleen van getuigen en wel in vastberaden beslissingen hetzij voor, hetzij tegen iets.

Daar scheiden zich de geesten en de wegen, wellicht doordat de gemeente, waar twee schijnbaar gelijke en even overtuigende mogelijkheden zich aanbieden, niet half om half maar voor de ene en tegen de andere kiest, wellicht doordat zij omgekeerd een schijnbaar onvermijdelijk gesteld alternatief niet als zodanig accepteert, maar daaraan voorbij een derde weg inslaat of zoekt. In ieder geval zal zij vastberaden aan de wereldgeschiedenis deelnemen door te spreken of door indrukwekkend te zwijgen, door partij te kiezen of door dat te weigeren. De blik houdt zij daarbij steeds gericht op de in Jezus Christus gevallen beslissing, terugblikkend op wat reeds in Hem is geschied en vooruitblikkend op de toekomstige volkomen openbaring ervan. Het grote in Hem gesproken ja en neen respecteert zij door in vrijheid een klein ja en neen te spreken en tot gelding te brengen.

In deze terug- en vooruitblik en in het kader van het kleine ja en neen dat zij kan spreken, mag de gemeente geen compromissen sluiten, zich ook niet verontschuldigen met haar onzekerheid en onmacht en zich dus niet terugtrekken in een of andere wachtkamer. Zij kan alleen verantwoordelijk existeren door vastberaden midden in de wereldgeschiedenis te staan. Ongeacht succes of mislukking neemt zij haar beslissingen.

Wat haar vanuit de werkelijkheid van de geschiedenis in Jezus Christus over een bepaalde situatie te kennen wordt gegeven, mag zij niet verzwijgen of voor zichzelf houden. Zij kan daar niet mee omgaan als was het niet belangrijk of betrof het een puur innerlijke en individuele geloofszaak, waarop geen bepaalde oordelen en handelingen moeten volgen. In concrete gehoorzaamheid aan haar Heer en Hem belijdend doet zij in de wereldgeschiedenis wat de met Jezus Christus nog niet bekende mensheid niet kan doen. Zij houdt daarbij concreet rekening met de verzoening in Jezus Christus en de in Hem herstelde orde. Dat wordt van haar verwacht. Door in de wereldgeschiedenis zulke beslissingen te nemen zal zij die beslist veranderen, ook al zijn haar beslissingen niet absoluut, definitief en ondubbelzinnig.

Wat de gemeente met de blik op de in Jezus Christus gevallen beslissing en als getuigenis daarvan zegt en doet, is relatief en niet meer dan een teken dat verwijst naar Gods beslissing in Hem. Maar het gaat juist om dit relatieve, om door zulke tekenen de wereld te veranderen. Meer wordt van de gemeente niet verlangd, maar dit wòrdt van haar verlangd, onvoorwaardelijk. Het gaat hierin om de toets: gelooft zij in de levende Heer Jezus Christus of in de goedkope genade van een synthese, die zij zelf bedenkt vanuit de heimelijke wens om voor beslissingen weg te vluchten.

4.3 De gemeente voor de wereld

In de vastberadenheid en het vertrouwen waarin de gemeente in de wereld haar beslissingen neemt, blijkt zij er te zijn voor de wereld. Zij is immers de gemeente van Jezus Christus, in zijn navolging uitgezonden in de wereld om Gods bedoeling met de wereld en de mensen ten uitvoer te brengen. Omdat God er voor de wereld is, kan zij dus niet anders dan er voor de wereld te zijn, en dat niet terloops en bijkomstig, maar vanuit haar oorsprong. Voor Barth is de gemeente de gemeenschap van mensen aan wie het gegeven is werkelijk weet te hebben van, zichzelf solidair te verklaren met en zich verantwoordelijk te weten voor de wereld en de mensen(6).

De wereld is in wezen blind voor haar eigen werkelijkheid, omdat zij niet weet van God en zijn verbond met de mens. Aan de gemeente wordt die kennis wel gegeven. Zij weet wat God in Jezus Christus voor de wereld heeft gedaan en daardoor weet zij hoe de wereld door God in orde is gebracht. Daarmee staat zij, zelf deel van de wereld, tegenover de wereld, beter gezegd verleent zij de wereld bijstand. Weten hoe het met de wereld is gesteld betekent concreet weten wie, wat en hoe de mens is. Het betekent weten, dat het leven van de mens bepaald is door Gods goede schepping, door zijn eigen overtredingen en de gevolgen daarvan, maar vooral door Gods genade. Daarom zal de gemeente het goede, dat de mens en groepen mensen doen, in hun positieve betekenis respecteren en het slechte noch dramatiseren noch bagatelliseren, maar rustig en beslist als ondraaglijk kwaad beschouwen. Zowel het goede als het slechte van mensen is begrensd door wat God voor hen allen is en heeft gedaan. Hoe verloren ze ook mogen zijn en hoe ze zich ook keren tegen God, uit zijn hand kunnen zij niet vallen, omdat Jezus Christus voor hen allen is gestorven en opgestaan. Omdat de gemeente niet alleen allerlei verschillen, tegenstellingen en tegenstrijdigheden in de wereld tussen mensen waarneemt, maar tegelijk ook ziet wat God in Jezus Christus doet, ziet zij de werkelijkheid van mens en wereld.

De gemeente gedraagt zich solidair met de wereld. Daarin wordt zij niet gelijk aan de wereld, maar is zij met haar verbonden. Zonder enige reserve neemt zij deel aan het leven van de wereld, aan de haar met de schepping gegeven belofte, aan haar verantwoordelijkheid voor de daar heersende aanmatiging, traagheid en leugen, aan haar lijden onder de met dit alles verbonden nood, maar vooral aan de haar in Jezus Christus bewezen genade en zo aan haar hoop. Het gaat de gemeente om de mensen. Weigert de gemeente deze solidariteit, dan miskent zij het ja dat God in Jezus Christus gesproken heeft.

De gemeente weet zich verantwoordelijk voor de wereld en haar toekomst. Zij kan niet blijven steken in beschouwingen en in passieve solidariteit. Omdat God in Jezus Christus in en voor de wereld handelt, is zij in zijn dienst geroepen tot medewerking aan zijn werk in en voor de wereld, voorzover dat in haar vermogen ligt. Elk quiëtisme wijst zij af en energiek doet zij met het oog op de toekomst van de wereld wat haar geboden en mogelijk is. Ook dan gaat het om de mensen, die in de wereld wachten op de actieve inzet van de gemeente, op de hulp die alleen de gemeente hun kan geven. Zij kan de wereld en de mensen niet aan zichzelf overlaten en hun deze hulp weigeren, wil zij haar dienst, waartoe zij door God geroepen is, niet verzaken.

De gemeente is er voor de wereld, niet voor zichzelf. Weigert de gemeente haar solidariteit met en haar verantwoordelijkheid voor de wereld en de mensen, dan is zij gelijk aan de wereld geworden, waarin immers ook iedereen alleen maar aan zichzelf denkt en aan zichzelf genoeg meent te hebben. De gemeente, die echt gemeente van Jezus Christus is, kan zich daarom bij gelegenheid wel tactisch, maar nooit strategisch in zichzelf terugtrekken. Zij is er voor de wereld. Dat is geen ideaal, geen program, maar de beschrijving van haar werkelijkheid. Het is een geloofsuitspraak, die iets zegt over het handelen van God. De gemeente gelooft niet in zichzelf, maar doordat zij gelooft in God, de Vader, de Zoon en de Heilige Geest, gelooft zij haar eigen werkelijkheid. Zij gelooft, dat het God om de wereld en om de mensen in de wereld gaat, en dus kan het haar, als zijn gemeente, om niets anders gaan.

Dat Barth hier, in het kader van de politieke beslissingen als dienst van de gemeente, het heilsegoïsme van de gemeente als geheel en van haar leden afwijst, is nog steeds van actueel belang. De gemeente is er niet voor haar zelf, noch voor haar leden, zij is er voor de anderen. Zij is gemeente voor de wereld, of zij is geen gemeente van Christus. Omwille van de eigen persoonlijke gemoedsrust of van de rust in de gemeente wordt dat nog te vaak vergeten, vooral als de dienst van het getuigenis een politiek karakter krijgt. Is het leven dan toch sterker dan de leer? Wreekt zich hier, dat men in de christelijke traditie te lang in twee werelden heeft geleefd, de wereld die men gemeenschappelijk heeft met alle mensen en de wereld van het geloof als een privé-zaak? Daarbij speelt in onze eigen traditie de reformatorische verkiezingsleer op de achtergrond zeker nog mee. De politieke verantwoordelijkheid wordt daarin weliswaar niet ontkend, maar het blijft toch vooral een persoonlijke zaak, waarbij naast evangelische noties ook eigen belangen een rol spelen. “Want ieder, die zijn leven zal willen behouden, die zal het verliezen; maar ieder, die zijn leven verloren heeft om Mijnentwil, die zal het vinden” (Mattheus 16:25). Dat geldt ook voor iedere christen persoonlijk en voor de gemeente, als de dienst voor de wereld in de navolging van Christus een politiek karakter krijgt.

4.4 De dienst van de gemeente

De gemeente is er voor de wereld. Dat is de dienst die haar is opgedragen(7). Deze dienst vormt het midden en de horizon van haar bestaan. Zij leeft van en met de dienst die haar is opgedragen. Deze opdracht krijgt zij van haar Heer Jezus Christus. Hem te belijden is haar opdracht, haar dienst is van Hem te getuigen. Hij is het ja, dat God tot de mensen heeft gesproken, en om van dit ja te getuigen is de gemeente de wereld in gezonden. Zou deze dienst haar niet opgedragen zijn, dan was zij niet ontstaan. Zou zij deze opdracht verliezen, dan kan zij niet meer bestaan.

Nu sluit het ja van God, dat de gemeente heeft te verkondigen, ook een neen in zich, maar het is niet haar opdracht ‘neen’ of ‘ja èn neen’ te zeggen. Als zij neen zegt en de strengheid van Gods gebod laat gelden, de menselijke zonde bij name noemt, kritiek uitoefent en waarschuwt, dan is dit voor haar nooit een thema op zich. Het neen van de gemeente staat altijd in het kader van het ja, dat zij de mensen heeft te verkondigen, doordat zij van Jezus Christus getuigt. In Hem gaat het om de goedheid en liefde van God voor de mensen, om de verzoening van de wereld met God, om de rechtvaardiging en heiliging van de mens als zondaar voor God, om de roeping van deze mens tot de dienst van God en om het nabijgekomen Koninkrijk Gods dat aan alle ellende een einde maakt. Kort gezegd, haar is de verkondiging van het Evangelie opgedragen.

Met deze opdracht richt de gemeente zich tot de mens, niet tot de mens in het algemeen, maar tot de mens zoals die wordt gezien vanuit het Evangelie. Dat is de mens in zijn eigen bijzonderheid, wel bepaald door natuurlijke, historische, sociale en individuele omstandigheden, maar toch hij zelf. Zo wordt ieder mens, zoals hij is, door God aangesproken en zo staat hij, in welke situatie hij ook verkeert, in directe relatie tot God en daardoor tot zijn naaste. De gemeente richt zich daarom tot ieder mens, binnen en buiten de kerk. Zij spreekt hem aan als iemand, die nog onkundig is van wat hem in het Evangelie wordt aangezegd en die deze hem ontbrekende kennis nodig heeft. Maar nog belangrijker is, dat zij hem aanspreekt als iemand, die zich in zijn onkundigheid in een door Gods wil en werk achterhaalde positie bevindt. Voor God is hij al, die hij volgens het Evangelie zal zijn.

Of de gemeente al dan niet aan haar opdracht voldoet, wordt gemeten aan de vraag: ziet de gemeente de mens, tot wie zij zich richt, als iemand, die zichzelf weliswaar een buitenstaander voelt, maar over wiens bestemming als mens van God reeds beslist is? Haar benadering van de mens vanuit haar opdracht wordt niet bepaald door diens verleden of heden, maar door de toekomst, waarin zij die mens nu al ziet in het licht van het Evangelie.

De dienst, die de gemeente heeft te verrichten in de wereld, is duidelijk bepaald, begrensd en vol belofte(8). Deze dienst is daardoor bepaald, dat hij wordt verricht in de navolging van Jezus Christus. H¡j immers is het, die in dienst van God in zijn profetische ambt en werk overgaat tot de dienst aan de mensen. Christus doet dat niet alleen, maar met de door Hem verzamelde en opgebouwde gemeente. Zij wordt uitgezonden in de wereld om van Hem te getuigen. Deze dienst van het getuigenis van de gemeente is ondergeschikt aan die van Jezus Christus. Daarom is deze dienst tegelijk dienen van God en dienen van mensen: dienen van God waarin de gemeente de mensen -, en dienen van mensen waarin de gemeente God mag dienen.

Deze dienst is ook begrensd. De dienst van de gemeente is de actieve onderschikking aan God en daarmee ook aan de mensen, niet minder, niet meer. Zij kan God en de mensen slechts dienen. Gods werk aan mensen en hun reactie daarop zijn niet haar zaak. Maar zij mag God en mensen daarbij assisteren door te getuigen van Jezus Christus. Wat Hij heeft gedaan en doet, heeft zij de mensen te verkondigen, niet meer, niet minder, niets anders. Op deze opdracht heeft zij zich te concentreren. Zij mag haar getuigenis niet compromitteren door naast deze ene nog andere taken op zich te nemen, zoals het zich inzetten voor een bepaalde (westerse of oosterse!) geschiedenis-, maatschappij- of staatsfilosofie. Zij kan zich met geen enkele wereldbeschouwing verbinden en ook geen eigen, zogenaamde christelijke wereldbeschouwing ontwikkelen. Zij kan immers geen twee heren dienen.

Deze dienst is tenslotte vol belofte. De gemeente, die haar dienst in de wereld verricht, heeft het niet gemakkelijk. Zij staat daarin tegenover een wereld, die geen oor heeft voor haar getuigenis en het goede recht van haar zaak bestrijdt. Zij kan zich zorgen maken om wat er van haar dienst terecht moet komen. Heeft haar getuigenis wel zin? Om stand te kunnen houden in deze aanvechting heeft de gemeente een verzekering nodig, die zij zichzelf niet geven kan, maar die haar gegeven wordt. Het is de belofte, die als tegendruk verhindert dat haar dienst onder de druk van deze zorgen onmogelijk wordt. Ook de belofte is kenmerkend voor de dienst van de gemeente, omdat het Woord van God, dat in en door Jezus Christus tot haar wordt gesproken en dat zij mag doorgeven, ook een toezegging en verzekering is. Over deze belofte kan zij niet beschikken, maar zij mag die wel ervaren in bepaalde vervullingen, in meer of minder duidelijke tekenen en signalen, waardoor zij zich mag laten bevestigen en bemoedigen in haar dienst. Zij leeft echter niet van deze vervullingen, zij leeft slechts van de belofte. Alleen de belofte, zoals die in Jezus Christus is vervuld, bewaart haar in de aanvechting, waaraan zij lijdt als zij haar dienst in de wereld verricht.

4.5 Profetisch getuigenis

De dienst van de gemeente in de wereld is de dienst van het getuigenis, niet meer, niet minder, niets anders. Dit sluit een actuele en zo nodig politieke concretisering van haar getuigenis niet uit, integendeel. Dit wordt door Barth uiteengezet, als hij het profetisch handelen van de gemeente ter sprake brengt als een van de vormen van haar dienst(9). Daarbij gaat het om het verstaan van eigentijdse gebeurtenissen in de gemeente en in de wereld, gezien in het perspectief van het nabijgekomen Koninkrijk van God waarvan zij getuigt, en om inzicht in wat dit verstaan betekent voor de concrete vorm van haar getuigenis. In haar profetisch getuigenis richt zij elk moment haar oog op het heden en daar bovenuit op de toekomst. Zij doet dat niet willekeurig, niet op grond van eigen prognoses, maar luisterend naar de stem van haar Heer, die ook Heer der wereld is. Wat Hij sprak toen Hij haar als zijn gemeente riep om van Hem te getuigen, spreekt Hij opnieuw in wat hier en nu in haar en in de wereld als zijn machtsbereik geschiedt. Zo leidt Hij haar de toekomst in en geeft haar het haar opgedragen getuigenis in een nieuwe vorm in de mond, zonder dat het een andere inhoud krijgt. Haar getuigenis kan niet bestaan uit een herhaling van oude formuleringen. Hier en nu klinkt de stem van Hem die is, die was en die komen zal. Hier en nu heeft de gemeente naar zijn stem te luisteren en ervan te getuigen. Hier en nu, dat wil zeggen: in de hedendaagse geschiedenis van de gemeente en van de wereld, zoals die door het woord van hun Heer worden geregeerd. Het is zíjn stem in deze geschiedenis, niet de stem vàn de geschiedenis, die de gemeente hoort en waarvan zij getuigt.

Voor de wereld is de geschiedenis een raadsel, ook voor de gemeente, maar voor haar is de geschiedenis niet alleen maar een nacht waarin alles even grauw is. Zij gelooft dat de geschiedenis wordt geregeerd door haar Heer. Daarom moet zij bereid zijn in de geschiedenis steeds opnieuw de stem van haar Heer te horen en door wat zij hoort zichzelf te vernieuwen. In plaats van achter de wereld aan te lopen gaat zij de wereld vóór in inzicht in de ‘tekenen des tijds’ en in speurzin voor wat komen moet. Haar is het immers gegeven om in de wirwar van christelijke, half- en onchristelijke stemmen op elk moment de geheel andere stem van haar Heer te onderscheiden. Het Woord van haar Heer, dat zij vroeger zo hoorde, hoort zij hier en nu anders, met een andere belofte en aanwijzing dan vroeger. Hoort zij het Woord hier en nu, dan leert zij te onderscheiden waar het op aan komt in haar eigen leven en in dat van de wereld. Zij ontdekt welke beslissing hier en nu noodzakelijk is, omdat zij heeft erkend “wat de wil van God is, het goede, welgevallige en volkomene” (Romeinen 12:2). Door deze beslissing als noodzakelijk te erkennen, in haar eigen midden te voltrekken en in de wereld te proclameren wordt haar getuigenis profetisch. Het spitst zich toe op het heden en wijst daar bovenuit in de toekomst.

De gemeente zal daarbij zowel in eigen kring als daarbuiten op tegenspraak en tegenstand stuiten. Juist in het profetische karakter van haar getuigenis wordt pijnlijk concreet, dat het in het Woord en werk van Gods genade om de nieuwe werkelijkheid gaat, die de oude tegenspreekt. De oude werkelijkheid kan hiertegenover geen stand houden en moet vergaan. Dit Woord klinkt steeds weer als nieuw. Het moet door de gemeente steeds weer opnieuw en als nieuw gehoord worden. Het vraagt van de gemeente steeds een nieuwe gehoorzaamheid en het roept haar op tot vernieuwing. Het roept haar zo de toekomst in. Dat is heel wat anders dan die zogenaamde ‘eschatologische’ uitspraken, die abstract over de toekomst spreken en die men kan aanhoren zonder al te zeer gestoord te worden in zijn huidige situatie. Het Evangelie echter spitst zich toe in de hier en nu te vernemen en te volgen roep ‘Voorwaarts!’, die als oproep aan de gemeente door haar dienst als oproep aan de wereld klinkt. Als de gemeente in haar dienst dit ‘Voorwaarts!’ uitspreekt en dan niet in het algemeen en tijdloos, maar concreet en toegespitst op het hier en nu, zal dat niet zonder gevolgen blijven.

Dan zal blijken, dat het geloof in een vanouds en algemeen bekende god voor velen zolang acceptabel is als van zo’n god niets nieuws te verwachten valt, omdat zo’n god niet aanzet tot vernieuwing maar alles bij het oude laat, – maar dat de vreugde over het Evangelie en de dulding ervan bij even zovelen, christenen èn niet-christenen, daar ophoudt, waar het hen in deze profetische spits voor een beslissing stelt. Dan kan het gebeuren, dat allereerst in de gemeente hierdoor de geesten zich scheiden en dat een meerderheid zich ergert, zich bedroefd of klagend afwendt of zich tegen diegenen keert, die menen het profetisch karakter van het christelijke getuigenis niet te mogen loochenen of verhullen.

Buiten de gemeente zal men opschrikken uit de onverschilligheid, waarin de gemeente en haar activiteiten werden geduld, omdat men nu in de gemeente, of althans in dat vastberaden deel ervan, de tegenstander ontdekt, die men daar misschien al langer had vermoed. Het conflict tussen het christelijke getuigenis en de wereld komt dan onvermijdelijk aan het licht, en wel doordat het zich op niet mis te verstane wijze concentreert in dat ‘Voorwaarts!’. Dan kan het gebeuren, dat vele christelijke, half- en niet-christelijke mensen, voor wie allen dit profetische ‘Voorwaarts!’ niet acceptabel is, elkaar vinden in een onheilige, maar effectieve alliantie van priesters, valse profeten, vorst en volk, die al in gesloten front tegenover de profeten van het Oude Testament stonden.

De gevolgen zijn verstrekkend, wanneer de gemeente of een enigszins belangrijk deel ervan het aandurft haar dienst van het getuigen ook in zijn profetische karakter op zich te nemen. Dat is echter geen reden om er van af te zien. Integendeel, het is eerder een soort test voor de echtheid van de dienst van de gemeente: krijgt haar dienst ook in vormen als prediking, gebed, diaconaat en theologie dat profetische karakter? Is ook deze dienst een getuigenis van dat ‘Voorwaarts!’? Daarbij gaat het dan niet om extase en redeloos enthousiasme, maar om het nuchtere openleggen van de heilzame waarheid, dat hier en nu twee maal twee onverwacht en in nieuwe zin vier is, en niet vijf, zoals ‘men’ nog steeds meent.

Dit profetische getuigenis kan onmogelijk terloops en toevallig in de gemeente tot klinken komen als de wijsheid van enkele dwazen in haar midden, wat dan door de anderen hooguit met hoofdschudden wordt geduld. Het gaat om de dienst van de hele gemeente. Al haar leden worden opgeroepen ook hierin van de hun geschonken gaven gebruik te maken. Weliswaar kunnen enkele leden, met bijzonder inzicht in en speurzin voor wat hier en nu moet worden gezegd, hierin de rest van de gemeente voorgaan en haar de weg wijzen. Maar als er niet gerekend zou kunnen worden op een in heel de gemeente aanwezige bereidheid en openheid voor dit profetische ‘Voorwaarts!’, wordt een schifting, een pijnlijk uit elkaar en tegen elkaar in gaan onvermijdelijk. De noodzaak van een nieuwe reformatie en totale reconstructie dient zich dan aan.

Het profetisch karakter van het getuigenis van de gemeente is bij Barth, zoals we hierboven hebben gezien, direct verbonden met de Godsvraag. Neemt de gemeente het profetisch karakter van haar getuigenis niet ernstig, dan blijkt daaruit, dat zij gelooft in een andere god. Of beter gezegd, zij dicht aan de God van Israel de eigenschappen van andere goden toe. In dat geval dient zij deze goden, ook al meent zij God te dienen, die haar in dienst genomen heeft. Zij komt dan zelf direct onder de kritiek van de bijbelse profeten te staan. Barth laat duidelijk merken dat hij bij zijn betoog over de dienst van de gemeente de profetische verhalen uit het Oude Testament in gedachten heeft.

Het kan verhelderend werken om naast de dogmatische uiteenzetting van Barth over het profetisch getuigenis een van de profetische verhalen uit de Bijbel te lezen, bijvoorbeeld 1 Koningen 18 uit de cyclus verhalen over de profeet Elia. Daarin worden we niet zozeer gesteld voor de keuze tussen twee goden als wel voor de keuze tussen twee visies op God. Wordt de God van Israël gezien en aanbeden als HIJ, de God die acht slaat op de ellende van zijn volk, hun klachten over het hun aangedane onrecht hoort, met zijn Woord, met zijn beloften en geboden reddend ingrijpt en aan hen leven en toekomst schenkt, zoals in Exodus 3 wordt verteld? Of wordt Hij vereerd als de Baäl, de bezitter-god, die garant staat voor een maatschappelijk systeem waarin het recht van de sterkste geldt en die daarom blind en doof is voor de ellende van mensen en voor hun geroep om recht en dus ook stom, niet in staat met zijn woord de weg ten leven te wijzen. Wie kiest voor een zwijgende god, kiest daarmee voor de status quo en tegen de toekomst. Dat is een politieke keuze(10).

4.6 Neutraliteit als ongehoorzaamheid

Als door het profetisch karakter van haar getuigenis de eenheid van de gemeente wordt bedreigd, is het verleidelijk haar dienst in en voor de wereld ondergeschikt te maken aan de zorg voor haar interne eenheid. De gemeente trekt zich dan terug op zichzelf. De gemeente als geheel zoekt haar heil in neutraliteit en pluriformiteit en hooguit wordt het aan haar leden overgelaten de dienst in en voor de wereld in hun eigen individuele verantwoordelijkheid waar te nemen. Het Evangelie is voor haar dan meer een algemene, tijdloze waarheid, die niet meer oproept tot concrete beslissingen in de gehoorzaamheid van het geloof(11). Ook haar getuigenis blijft dan steken in vrijblijvendheid. Mooie woorden kunnen dan dienen om aan werkelijke verandering te ontkomen. Zo kan bijvoorbeeld het bidden voor vrede functioneren als een alibi om maar geen concrete stappen te hoeven zetten, die de vrede werkelijk dichterbij pogen te brengen.

Er zijn zeker praktische aanleidingen voor de gemeente om voor neutraliteit te kiezen. Bij de vragen, waarin zij in de navolging van haar Heer en in het getuigenis van zijn levende Woord een helder ja of neen zou moeten uitspreken – en hoe ernstiger de vragen, des te meer is dat nodig -, gaat het vaak om gecompliceerde vragen, waarin de argumenten pro en contra elkaar in evenwicht schijnen te houden. Deze vragen kunnen weliswaar met het verstand beantwoord worden, maar daarbij zal het verstand iets moeten wagen, wil het antwoord christelijk zijn. Daarbij kan het wagende verstand van de gemeente, die hoort naar het levende Woord van haar Heer, maar al te vaak dwaas lijken en dat kan haar in het isolement brengen. Dan zijn er altijd wel goed klinkende motieven te vinden om in het algemene en neutrale te blijven. Om een paar voorbeelden van deze motieven te noemen:

  • het zou de gemeente hier en nu niet gegeven en daarom niet toegestaan zijn ondubbelzinnige woorden te spreken en dus moet zij daarvan afzien;
  • binnen de gemeente zouden de leden in de brandende vragen hier en nu toch verschillende meningen kunnen en mogen hebben en dus moeten zij elkaar over en weer in liefde verdragen en respecteren en elkaar niet met een beroep op het gezamenlijke geloof lastig vallen;
  • er zou bovenal aandacht geschonken moeten worden aan het bewaren van de eenheid en de vrede in de gemeente;
  • tenslotte zou het er toch om moeten gaan de zuiverheid en de algemeengeldigheid van het Evangelie te bewaren door een wijs en mild vertoeven in de sfeer van een algemeen, neutraal, zich niet compromitterend christendom in plaats van die te verontreinigen door het te vermengen met allerlei, niet voor iedereen zonder meer christelijke standpunten.

Wanneer de gemeente niet weet wat zij moet zeggen of het daar niet over eens is, kan zij het in elk geval beter nalaten zich met dergelijke motieven te rechtvaardigen. Zij kan toch niet met een goed geweten beweren, dat zij het hier en nu gesproken Woord van haar levende Heer niet hoort? Alsof Hij soms zijn profetisch werk even heeft onderbroken en nu zwijgt! Meent zij dat echt, dan zal ze zich de vraag moeten stellen, of zij hierin niet verwant is aan de Baälspriesters op de Karmels(12).

Als de gemeente zo gemakkelijk met haar onmacht weet klaar te komen, is dat een symptoom van het feit, dat het haar ontgaan is, dat zij in het Evangelie te maken heeft met het levende Woord van haar levende Heer. Zij kan toch niet van mening zijn, dat Hij, wiens Koninkrijk zoals bekend niet van deze wereld is, daarom niets te zeggen heeft over wat in deze wereld gebeurt? En dat zij, zijn gemeente, daarom wel in een algemeen goedig ja van God kan geloven en daarvan mag getuigen, maar dat zij voor het overige in de concrete vragen van deze tijd, die de wereld en haar bezighouden, overgelaten is aan haar eigen oordeel en de daarop gebaseerde ‘vrije’ beslissingen, omdat zij zich daarin ontslagen acht van de directe relatie met haar Heer? Hoe dan ook, waar het Evangelie van zijn spits voor een bepaalde tijd en situatie wordt ontdaan, wordt het vervalst en wordt het ja van Gods goedheid beroofd van elke betekenis.

De opdracht van de gemeente staat haar niet toe, verbiedt haar zelfs het haar toevertrouwde Woord zo te verminken. Blijkt zij niet in staat het levende, hier en nu concreet gesproken Woord van haar Heer te vernemen, dan zal zij dat niet goedpraten, maar zich schamen en helemaal opnieuw beginnen met naar Hem te luisteren. Zij leeft immers van het geloof, dat haar Heer ook haar onvermogen opheft en haar tot zijn dienst geschikt maakt.

Het kan ook gebeuren, dat de gemeente daartoe gedwongen wordt door de wereld, die haar wellicht beter begrijpt dan zij zichzelf. Omdat de wereld iets vermoedt van die verontrustende toespitsing van de opdracht van de gemeente, wil zij haar niet altijd nog langer welwillend bejegenen. De gemeente mag zichzelf gelukkig prijzen, als zij zo wordt opgeschrikt uit de rust van haar neutraliteit. Wellicht vindt zij daarin een aanleiding zich haar levende Heer en zijn levende Woord te herinneren en dan te wagen wat zij zo lang heeft nagelaten: met haar getuigenis te staan voor het Evangelie, dat zij onvervalst van haar Heer heeft ontvangen en weer mag ontvangen, in het waagstuk van het geloof en in de gehoorzaamheid aan zijn doelgericht, hier en nu gesproken Woord.

Als illustratie bij deze woorden van Barth wil ik hier H.M. van Randwijk citeren. Hij schreef in Vrij Nederland van 14 december 1946 een hoofdartikel met als titel: Gods goochelaars: de Kerken en Indonesië. In oktober 1946 werd in Linggadjati door Nederland en de onafhankelijke Republiek Indonesia een overeenkomst gesloten, die voorzag in de vorming van de Verenigde Staten van Indonesië. Dit akkoord ging velen in Nederland te ver, ook binnen de kerken en de christelijke partijen, terwijl bijvoorbeeld in kringen van de zending daarover veel positiever werd gedacht. In zijn artikel stelt van Randwijk aan de kaak, hoe de kerken hun verdeeldheid ten aanzien van de Indonesische kwestie verhullen in vrome woorden. Hij besluit dan:

“Wij spotten niet. Als hier gespot wordt dan geschiedt dit door de kerken zelf, die er beter aan zouden doen te erkennen, voor God en de mensen, dat zij in zichzelf verdeeld zijn en als kerk GEEN antwoord hebben op de vraag of de overeenkomst van Linggadjati rechtvaardig of onrechtvaardig is. Maar met dit te constateren kan de kerk geen genoegen nemen. Er is ook wat te doen! Liever dan theologische vaagheden te verkondigen en gebedsdemonstraties te houden, brenge men de verdeelde christenheid bijeen, om te zien wat de een van de ander kan leren. Daarbij is de studie van de geschiedenis, de cijfers, feiten, mogelijkheden en noodzakelijkheden, doodgewone politieke mogelijkheden en noodzakelijkheden van meer belang dan gegoochel met bijbelteksten. Aleer men psalmen aanheft en den Heer oproept om ‘aan de spits te treden’ of ‘ons te verlossen uit allen nood’ is het toch nodig te weten aan de spits van wiens legertroep Hij geroepen wordt zich te plaatsen. Bij de heirscharen van Kruls en Helfrich of bij de ‘idealistische penneridders van Schermerhorn’? Uit de nood van onze overmoed of slapheid? Uit de doornenhaag van onze nationale trots en financiële belangen of uit ‘de gedachtenspinsels van de revolutie’?

Of moet Hij Zelf de keuze maar maken?

In dat geval zouden we bijna geneigd zijn, bij zoveel dwaasheid te verzoeken neutraal te blijven en ons de gelegenheid te geven, niet alleen te LEREN bidden, maar bovendien te leren: eenvoudig theologisch en politiek denken.”(13)

Pagina's: 1 2 3 4 5 6 7 8