Een goede buur en verre vriend

logo-idW-oud

 

EEN GOEDE BUUR EN VERRE VRIEND

Een barthiaanse visie op de relatie met moslims

Dames en heren, aan mij de beurt om iets te zeggen over de relatie van de Protestantse Kerk in Nederland met moslims vanuit barthiaanse hoek. In de eerste plaats wil ik de organisatoren danken voor het feit dat ook aan Karl Barth is gedacht. Het is in de kerk tamelijk stil geworden rond Barth, maar zijn theologie met onder andere de locus Religion als Unglaube spreekt natuurlijk voort. Deze stem toe te laten in dit debat geeft mijns inziens niet alleen de breedte aan die de commissie voor ogen staat, maar ook de ernst van de zaak. Een ernst die ik van harte ondersteun. Ik kom dan tot de volgende punten.

1) De theologie van Barth staat bekend als een uiterst kritische theologie. Dat is zij en dat wil zij ook zijn, en het zou me niet verbazen als dit op zich voor een moslim op onbegrip, maar ook op afgrijzen stuit. Zoals Barth ook binnen de kerken trouwens op onbegrip en agressie stuit. Ik verwees zojuist al even naar de beroemde paragraaf 17.2 uit de Kirchliche Dogmatik ‘Religion als Unglaube’. Godsdienst als ongeloof nota bene. Ik stá voor deze kritische houding, en acht haar niet alleen eigen aan Barth, maar ook aan het christelijk geloof, en dat maakt het gesprek met de Islam bepaald niet makkelijk. Toch wil ik meteen ook beklemtonen: Barths kritiek is de andere kant van zijn royale universalisme en kosmopolitisme, waarmee hij heel deze wereld, dus ook de Islam en alle andere godsdiensten, beziet. Zoals Gods oordeel allen geldt, geldt ook zijn liefde allen. Hoe kritisch dus ook, Barths theologie is precies het omgekeerde van een kruistochttheologie die zich keert tegen één specifieke groep. Als wij ons afgrenzen ten opzichte van de Islam, doen wij dat vanwege Christus Jezus in wie God zich met heel deze wereld heeft verzoend. Ik hang er aan om met dit positieve statement te beginnen. ‘Polemik ist Liebe’ zei de jonge Barth. En ik zou zeggen: liefde, omdat het gaat om het gemenebest. Nu, ik denk dat christendom en Islam daar elkaar in ieder geval kunnen vinden. Beide kunnen we God niet los zien van het gemenebest.

2) In het register van zijn KD is anderhalve kolom gewijd aan Israël, 7 ½ kolom aan Jezus Christus en maar anderhalve regel aan de Islam. Dat is zeer weinig. Barth heeft zich dan ook over de islam nauwelijks uitgelaten. Maar ook in de barthiaanse traditie is er weinig specifieke aandacht geweest voor de Islam. Vanwaar deze terughoudendheid?

In KD III,3 noemt Barth de Islam de ‘gepaganiseerde vorm van de halfbijbelse godsdienst van het nachristelijke jodendom’. Dus een jodendom dat zijn bijbels spoor is kwijtgeraakt, en daar dan nog eens een heidense variant van. Dat klinkt, eerlijk is eerlijk, niet erg uitnodigend. Barth lijkt veel uitnodigender te zijn ten opzichte van de contemporaine en vroegere filosofen. Met hen zoekt hij, naast bijbel en traditie, het gesprek. Met jodendom en Islam helemaal niet. Waarom? Ik vermoed omdat hij ze, heel anders dan hindoeïsme of boeddhisme, of dan klassiek heidense of geseculariseerde ideologieën, ziet als een verbastering van het geloof in Jezus Christus. Het verhaal van dhr. Hidir over koran en bijbel is een prachtig bewijs voor deze verbastering, al spreekt hij uiteraard van een ‘nadere en definitieve openbaring’.

We herkennen in dit oordeel over verbastering de algemene trek van de dialectische theologie, dat pervertering van het geloof erger is dan ongeloof; dat het oordeel Gods begint in eigen huis. Ja, ongeloof is nu juist niets anders dan het aanroepen van de Heer onder valse namen, met valse voorwendsels. Ongeloof is geen letterlijk a-theïstisch, non-theïstisch standpunt dat een mens als zijn natuurlijke habitus (al dan niet door overtuiging gewonnen) met zich meedraagt, terwijl anderen een natuurlijke habitus van ‘geloof’ met zich meedragen. Juist godsdienst, en dat geldt voor elke godsdienst, dus elk geloof in God of goden, of andere aanbeden machten en gestalten, is ongeloof, voorzover de Heer, de God van Abraham, Isaäc en Jacob, ons ongeloof niet als geloof verhoort, zoals Hij in Jezus Christus heeft betoond.

Barth was er vooral op uit om dit oordeel te verkondigen voor het christendom, maar hij heeft dus jodendom en Islam hier zeker ook onder begrepen als hoogst menselijke gestalten van een godsdienst die nu juist meent buiten deze openbaring in Christus óm over God te kunnen spreken. Wat mij bevalt in het verhaal van Hidir is dat hij aan de categorie van openbaring vasthoudt. Hij laat zogezegd zien waar zijn gebondenheid ligt, en alleen waar wij als partners onze gebondenheid tonen, en voor elkaar dus ook controleerbaar zijn, is er het begin van een gesprek mogelijk. Als we trouwens een gesprek zoeken.

3) Het is precies 75 jaar geleden dat in het verzet tegen de Duitse christenen de ‘Barmer Thesen’ ontstonden, met name aan de hand van Barth, waarin uitdrukkelijk de valse leer verworpen werd als zou er naast Jezus Christus nog een andere bron van Godsopenbaring zijn. De kerk leert deze exclusiviteit van Christus juist omdat God in Hem állen op het oog had. En zo kon Barth aan het einde van zijn leven in 1968 ook zeggen dat hij zich nog graag wilde bezig houden met niet-christelijke godsdiensten ‘niet zo dat het algemene de basis zou zijn, waarop zich dan misschien Jezus Christus als hoogste top zou verheffen, maar zo dat Jezus Christus het fundament zou zijn, waarop met de religies misschien nog een nieuw gesprek te openen zou zijn.’ (Barth, Briefe 1961-1968, 505) Dus, in mijn woorden: laten wij spreken met open vizier, zonder geheime agenda met Jezus als de noodzakelijke conclusie van ons gesprek, maar ook zonder andere fundamenten dan Hem alleen. Is zoiets wel mogelijk? Barth zegt ‘misschien’ en dat is niet voor niets. Het is het misschien van de mens die geen handboeken leest over communicatie, maar bidt om de Geest.

Ik hoor in Barths perspectief een oproep om te getuigen van Christus als de enige weg tot heil, maar dan niet alsof wij de ‘beati possidentes’ zijn, de gelukkige bezitters van de waarheid, die anderen moeten bekeren. Ik hoor hierin de dank en lof dat anderen deelhebben aan dit heil, en zich gezamenlijk hiervoor willen buigen door werkelijk met elkaar te spreken en naar elkaar te luisteren. Barth zag niets in godsdienstgesprekken die, zoals in de parabel over ‘Nathan der Weise’ van Lessing, principieel of omwille van de lieve vrede de claim op waarheid tot op de jongste dag laten varen. Maar dat betekent niet dat wij de waarheid naar eigen believen regisseren. Welke houding nemen wij in?

Laten we beseffen dat de Islam naar zijn wezen en bedoeling ons feitelijk uitdaagt en zeer offensief het gesprek met ons is aangegaan, en steeds weer aangaat. We hebben het laatst weer gezien in het document ‘A common Word’. Ons wordt een christelijk antwoord gevraagd. Welnu, als mevr. Weber spreekt over de gelijkwaardigheid van man en vrouw in de Islam, waarbij haar tendens lijkt te zijn om te stellen dat deze redelijk oké is, dan zouden we in de val van westerse hoogmoed trappen om te gaan antwoorden dat ónze positie misschien toch nog een tikkeltje gelijkwaardiger is. Ik zou eerder willen antwoorden dat in de Schrift man en vrouw juist zijn geroepen tot vergaande dienstbaarheid en afhankelijkheid aan elkaar en hun medemens, en dat hun gelijkwaardigheid ligt in het kind-zijn van God, met een sterk eschatologisch besef van de nieuwe mens waarin man en vrouw één zijn. Jezus Christus als fundament: dat is geen debat gaan voeren over de verworvenheden van de Verlichting. Dat is een gesprek over schepping, verlossing en wedergeboorte.

Vaak wordt gezegd dat Islam en Verlichting elkaar uitsluiten. Maar ze hebben in hun deïsme ook veel gemeen: een theologie zonder kruis. Een moslimpowerfeministe op hoge hakken en een hoofddoek om, is de belichaming van dit verbond. En voor dit verbond is in Nederland alle ruimte. Maar het is niet de realisatie van Christus’ heil.

4) Nu komt mijn belangrijkste punt. De scheiding tussen kerk en staat is een principiële, alles in het geloof beheersende scheiding. Zij gaat verder dan de vrijheid van de kerk ten opzichte van de staat, of het verwerpen van een theocratie. Zij is niet los te zien van de kruisiging van de Koning der Joden en zijn opstanding tot Heer van de wereld die zijn kerk verzamelt uit alle windstreken. Scheiding van kerk en staat wil zeggen dat de ‘umma’, de gemeente, het volk van God, ‘niet uit het vlees maar uit de geest is’, en derhalve nooit samenvalt met enig volk of land, met enige staatsvorm, enige cultuur of welke historische grootte ook, maar dat zij rust in de verkiezing Gods, waarvan de grenzen een ieder verborgen zijn. Ik kan dhr. Ajouaou volgen als hij laat zien dat de Islam geen blauwdruk heeft voor de verhouding kerk-staat, maar dat deze steeds vraagt om een eigen historische invulling. Toch is ons verschil wezenlijker: de kerk rust in de verkiezing van de ‘Stad van God’, zoals Augustinus dat in zijn De civitate Dei uiteenzet. Dit heeft de nodige gevolgen voor onze relatie met moslims.

a) De kerk zal ten opzichte van moslims helder en duidelijk moeten zijn dat zij in algehele solidariteit met de wereld ook solidair met moslims wil zijn, en dus niet met haar automatisch in één front staat. Samen met de moslim te willen komen tot een strategische ‘monotheïstische alliantie’ tegen de geseculariseerde samenleving, of tot een alliantie van gelovig fatsoen, acht ik ongegrond. Hier regeert angst of verontwaardiging, geen geloof in de rechtvaardiging van de goddeloze om Christus’ wil.

b) De kerk zal ten opzichte van moslims de moed moeten hebben te belijden dat het heil ‘uit de Joden is’ (Joh. 4:22), en dat zij zich daarom ten opzichte van Joden anders verhoudt dan ten opzichte van moslims. Waar dit wordt losgelaten, laten we Jezus los.

c) De kerk zal moeten breken met het idee dat de moslim zielig is. Ze zal moeten leren om moslims niet-paternalistisch als gelijkwaardige partners tegemoet te treden die de kerk hebben uitgedaagd. Zeker als het gaat om het geloofsgesprek zal zij de moslim als een volwaardige vertegenwoordiger van de Islam moeten beschouwen die recht heeft op kritiek en debat.

d) De kerk zal zich in haar houding ten opzichte van moslims er bewust van moeten zijn dat zij in Nederland niet ‘de heersende klasse’ uitmaakt of vertegenwoordigt, maar nog slechts een zeer geringe speler in het veld is, die daarbij de macht in dit land niet eens ambiéért. Ze zal duidelijk moeten maken dat de royaliteit waaruit zij spreekt en contact zoekt een principieel andere is dan de houding van een moeder die haar verloren zoon aan de borst drukt. De Nederlandse moslim is een volwassen medeburger die een dito benadering verdient.

Ik pleit dus voor een wezenlijke stijlbreuk in onze benadering van moslims; wij treden hen niet tegemoet als ontheemden en onderdrukten, als de slachtoffers van het Westen; niet als exotische vrienden of gelijkwaardige familie van een verre Abraham; evenmin als bedreiging van onze cultuur of ons geloof. Nee, wij benaderen ze als mondige, Nederlandse staatsburgers, met dezelfde rechten en plichten, met wie wij door godsdienst zijn verbonden, maar evenzeer diep gescheiden.

Juist de vermenging van paternalisme en oprecht medeleven, van eigen verlegenheid over het kruis en de zoektocht naar een bondgenoot in de angst voor de secularisatie, vertroebelt aan alle kanten onze opdracht als kerk. De beste hulp die moslims kunnen hebben is de noodzaak om op eigen benen te staan, en het besef dat onze kerk het publieke domein in Nederland niet alleen strategisch respecteert, maar ook als een geschenk van God ervaart.

Dat de verhouding kerk-staat een kostbaar christologisch goed is waarmee wij het gezag van onze Heer belijden, lijkt helaas steeds meer te verdwijnen uit het kerkelijk besef. Terwijl juist in deze verhouding het diepste respect voor je medemens als ander is uitgedrukt. Maar dat is uiteraard geen kritiek op moslims.
5) Alles samenvattend zou ik willen zeggen dat bij een nota over Nederlandse moslims het volgende in het oog moet worden gehouden:

– zij moet in de eerste plaats toerusting zijn voor de eigen kerk, en in de tweede plaats een publiekelijk document voor alle Nederlanders

– zij moet insteken bij de volwaardige erkenning van onze verschillen in geloof en ook vaak maatschappelijke vraagstukken, en bij de volwaardige erkenning van moslims als medebewoners van hetzelfde land

– elke ondertoon van angst voor moslims of paternalisme over moslims moet worden vermeden, als ook van angst voor secularisatie of van het verlekkeren van de secularisatie

– Laat de Prot. Kerk in Ned. beseffen dat wij geen theologie bedrijven om maatschappelijke doeleinden na te streven, maar om van Jezus te getuigen als onze Bevrijder van elk ongeloof.

Wessel ten Boom