Commentaar (Twee kleine peilingen)

logo-idW-oud

 

COMMENTAAR (Twee kleine peilingen)

In mijn vorige commentaar zei ik dat ik altijd probeer de intentie te peilen van hoofdstukken uit het Oude Testament die slecht in het gehoor liggen. Een kennis zei me: laat dan maar eens zien wat die peilingen opleveren.

Ik neem de mij toegeworpen handschoen op en begin met de oorlogswetten van Deuteronomium 20. In de eerste vier verzen wordt gezegd dat de Heer de overwinning geeft en dat Israël die eigenlijk alleen maar op hoeft te rapen. Dus: goede moed, maar géén medailles! De verzen 5- 9 zijn heel humaan, maar de verzen 10-15 over de belegering van een verre stad zijn al veel minder humaan. Ronduit gruwelijk zijn de verzen 16-18. Israël moet de Kanaänieten met de ban slaan en dat betekent dat er niets en niemand meer in leven blijft. De reden voor de ban wordt gegeven: de Kanaänieten dienen afgoden en hun afgoderij is zeer besmettelijk. Nu is het vrijwel zeker dat Israël bij de intocht in het beloofde land niet gedaan heeft wat in deze verzen geboden wordt (nut van historisch onderzoek!). Ze stammen uit de tijd tussen de Reformatie van Josia in 621 v. Chr. En de Babylonische ballingschap, dus uit de tijd waarin Israël door zijn afgoderij al bijna alles verspeeld had.

De intentie ervan is duidelijk: wie afgoden dient haalt de dood naar zich toe. Een voorbeeld: het virulente nationalisme dat in de negentiende eeuw de volkeren van Europa hebben ontwikkeld – en dat ook hun kerken heeft aangetast – was afgoderij en is een belangrijke oorzaak van WO I met zijn vele, vele miljoenen doden.

In de tweede plaats het zo lanzamerhand beruchte hoofdstuk Leviticus 18. In de eerste verzen wordt al een hint gegeven voor de uitleg: wat er in de verzen 6–23 opgesomd wordt is gebruikelijk bij de Egyptenaren en de Kanaänieten. Wat heeft deze volkeren ertoe bewogen te doen wat ze deden? Ik neem aan dat vruchtbaarheid voor hen goddelijk was: ze hadden die nodig voor hun velden, hun vee en hun eigen voortbestaan. Door te doen wat ze deden hadden ze deel aan die vruchtbaarheid en bevorderden ze die.

Mutatis mutandis

heeft dit hoofdstuk ook iets te zeggen in onze tijd, waarin de sexualiteit zo dominant is. Je moet het dan wel plaatsen in het geheel van het Oude Testament. De Knijff laat in hoofdstuk III van zijn Venus aan de leiband zien dat Israël de sexualiteit uit de greep van de natuur haalt en personaliseert. Met andere woorden: ontgoddelijkt en menselijk maakt.

Als ik iets te zeggen had op het Ministerie van Onderwijs, zou het Hooglied verplichte leerstof worden in het middelbaar onderwijs. (Als kinderen van deze leeftijd op school voorlichting krijgen over voorbehoedmiddelen, moet het Hooglied ook kunnen.) Het Hooglied is volstrekt niet preuts en toch blijft de toon van het begin tot het eind zuiver.

Sexualiteit is schepping, goede schepping, wel te verstaan.

AAS