Postuum eerbetoon aan Bas Leenman

logoIdW

 

Zelfs Rinse Reeling Brouwer kende hem niet: Bas Leenman, industriepastor en zelfstandig leerling en interpreet van Rosenstock-Huessy (1920-2006). Toch was hij een productief en origineel schrijver van vele artikelen en brochures, die nu voor een groot deel verzameld en opgeslagen zijn in een fraaie en forse bundel met de titel Als God stukloopt. De maatschappij als erfgenaam van de kerk.

Titel en ondertitel zijn goed gekozen voor zover ze raken aan de onmiskenbare hoofdlijn in de zoekende en tastende betogen van de schrijver. Die hoofdlijn is dat het gaat (en gegaan is) in de geschiedenis van kerk en cultuur van de hemel naar de aarde, van God naar de naaste, van het gebed naar het handelen en de arbeid, van de kerk naar de maatschappij. Is dat vanuit het christelijk credo als een verlies, een terugval te kwalificeren of eerder als een noodzakelijke vernieuwing en heroriëntatie van het geloof? Bas Leenman kiest gedecideerd voor het laatste, al is hij zich bewust van het risico van ‘een verloochening van alles wat de Kerk dierbaar is’ (108) ‘Dat kan het zijn!’, zegt hij. Maar het hoeft niet, want ‘wie weet, of hij (d.i. de gelovige christen) niet samen met de ander zal stuiten op geheimen aan de aarde, aan de arbeid, aan de samenleving, aan de medemens. Geheimen die opnieuw naar God verwijzen’. (108)

Origineel in het aanwijzen van deze te volgen hoofdlijn in theologie en kerkelijke praxis is Leenman zeker niet. Ten laatste sinds de Tweede Wereldoorlog beweegt zich haast alle theologie in onze regionen op deze lijn. Het gaat niet om de hemel, maar om de aarde; niet om de kerk, maar om de hele bewoonde wereld, de oecunene. ‘Met minder kunnen we niet toe!’, luidde het bij het IKON destijds. En bij mijn eerste theologische leermeester Van Ruler hoorde en leerde ik al: “Wir sind nicht Menschen, damit wir Christen sein könnten, sondern wir sind Christen damit wir Menschen sein könnten” (Van Ruler, ‘Die chr. Kirche und das AT’, 65). Nagenoeg hetzelfde schreef Ter Schegget in IdW 1985 (nr.9): “Wij zijn geen mens om christen te worden, maar omgekeerd, christen om mens te worden”. Deze stemmen zouden met talloos vele vermenigvuldigd kunnen worden. Vergeten we daarbij ook niet de dichters van het Liedboek 1973, zoals Barnard, Den Besten, Wit, Naastepad en Oosterhuis. Zij zijn waarlijk niet uitsluitend op de hemel georiënteerd, maar hun liederen zijn vol van aardse geuren en kleuren. Maar zonder dat de hemel afgeschreven wordt, want alleen “dan is het aardse leven goed, omdat de hemel mij begroet” (Jan Wit, Lied 479: 4).

In heel wat tijdgenoten had Leenman bondgenoten of toch gesprekspartners kunnen vinden, maar hij negeert ze vrijwel allen en hij zoekt tamelijk eigenzinnig in het spoor van Rosenstock zijn eigen weg. Dat komt de zeggings- en overtuigingskracht van zijn werk niet onverdeeld ten goede. Vruchtbaar en verstaanbaar spreken is ‘spreken-in-gesprek’, met anderen, met medestanders en tegenstanders. Dan krijgt het eigen spreken meer profiel, wordt het beter gehoord en verstaan en leent het zich voor tegenspraak. Nu weet men niet goed waar de schrijver staat of heengaat. Maar deze dialoog (of ook het twistgesprek) met theologische en andere tijdgenoten ontbreekt nagenoeg in de artikelen van Bas Leenman en dat is toch in wezen ook strijdig met zijn eigen opvattingen over ‘de taal van het menselijk geslacht’ .

Ik vind dat dus een zwak punt bij Leenman, maar daar staat veel tegenover dat intrigeert, soms inspireert en steeds doorleefd en grondig doordacht is. Op de boven aangegeven weg van de 20-ste eeuwse theologie is Leenman wel degelijk een uiterst originele pionier, die speurt naar nieuwe ervaringen en wegen naar de toekomst zonder daarbij de band met het verleden te verbreken. De erfgenaam moet de erflater, de dochter moet de moeder niet vergeten, maar gedurig gedenken. Ook al zoeken en gaan ze nieuwe en andere wegen. Laten de ouders hun kinderen zegenen en de kinderen hun ouders eren! Want de toekomst zal leeg zijn als de ervaringen en de verworvenheden van de geschiedenis er geen plaats krijgen en in vergetelheid wegzinken. Dat is sterk en overtuigend bij Leenman en natuurlijk ook bij Rosenstock. Een a-historisch bestaan zonder gedachtenis en dan ook zonder verwachting is een kortzichtig en kortademig bestaan. We verstommen en verstikken er in.

Dreigt er nu op het spoor van Leenman niet een antithese op te doemen tussen kerk en samenleving en is de arbeid geen alternatief geworden voor het gebed? Reeling Brouwer is daar niet geheel gerust op. In zijn kritisch waarderende inleiding op de bundel, waartoe hij werd uitgenodigd, zegt hij: “Toch proef ik bij Leenman ook een stellen van alternatieven dat me niet altijd zuiver voorkomt, een retoriek dat het ‘niet meer’ om de kerk ‘maar nu’ om de wereld zou gaan” (16). Dat gevaar (noem ik het) ligt inderdaad levensgroot op de loer in dit denken en deze praxis. Dat is wel gebleken in de recente geschiedenis van de naoorlogse kerken. Het stille drama van de kerkverlating betrof niet alleen de weinig gemotiveerden en geïnteresseerden, maar juist ook de bevlogen apostolairen die zich geroepen wisten zich in te zetten voor recht en gerechtigheid in de (wereld)samenleving. Tallozen van hen verloren of verbraken het contact met kerk en christelijk geloof, zonder altijd zichzelf en hun weg te vinden in de wereld. Velen van mijn generatiegenoten met een kerkelijke achtergrond slijten hun levensdagen in politieke en maatschappelijke resignatie. Via de NCSV, Kerk en Wereld, het IKV, het studentenpastoraat, de milieu- of de vrouwenbeweging hebben ze de kerk (en vaak ook het geloof) achter zich gelaten. We stellen de schuldvraag hier niet, maar ik heb het van dichtbij met eigen ogen zien gebeuren. Het maatschappelijk engagement verving het kerkelijke en leek het overbodig te maken, maar niet zelden verzandden maatschappelijke betrokkenheid en actiebereidheid in teleurstelling en gelatenheid. Zonder dat er een weg terug was naar de kerk als een in hun ogen definitief gepasseerd station. Al zijn er natuurlijk ook lichtende voorbeelden waaruit blijkt dat kerkelijk en maatschappelijk engagement elkaar geen concurrentie aandoen, maar elkaar juist versterken en verdiepen. Mij schieten de ook de lezers nog wel bekende namen te binnen van mensen op mijn levenspad als C.J. Dippel, Hannes de Graaf, Hans van der Werf, Wim Kist, Hebe Kohlbrugge en vele, vele anderen.

Hoort ook Bas Leenman in deze rij thuis? Ik zou het wel denken. Bij al zijn intense aandacht voor (het ontstaan van) de moderne wereld is hij tegelijk diep geworteld in het Bijbelse en christelijke erfgoed. Treffend en mij uit het hart gegrepen is wat hij schrijft naar aanleiding van Psalm 8: “Op het moment dat hij [d.i. de moderne mens] deze psalm niet meer bidt, wordt ditzelfde psalmwoord ‘wat is de mens’ zijn levensprobleem. Op dat moment is de wereld geen sprake meer, zij is dan slechts materie. Er is dan geen Aangezicht meer dat hem roept en waarin hij zichzelf hervindt. Er blijft slechts als spiegel van zelfherkenning de zwijgende wereld der materie” (144). En dan is de dag niet ver dat de mens zelf tot louter materie en materiaal wordt teruggebracht. Even verder spreekt Leenman over de kerk als ‘de binnenkamer van het leven’. “De binnenkamer, waar de psalmen worden gebeden, de lof wordt gezongen, de priester ons zegent, het leven van de Geest wordt gevierd. De binnenkamer, waar onze ogen worden geopend, opdat we de wereld niet alleen als materie zullen zien, maar vóór alle dingen als Koninkrijk Gods, dat gezocht wil zijn: binnenkamer, waar ons de oren worden geopend, opdat wij in de wereld de sprake Gods zullen verstaan” (145).

Veel valt er nog te zeggen, te vragen en ook wel tegen te spreken naar aanleiding van Leenmans boeiende verkenningen en betogen, maar we laten het hierbij. Het is goed en verheugend dat zijn gepassioneerde en vaak fijnzinnige oeuvre door deze uitgave niet aan de vergetelheid wordt prijsgegeven. Ontvankelijke geesten kunnen in dit werk van Bas Leenman inspiratie en geleide opdoen om het geloof in God, de mens en de toekomst niet te verliezen of te hervinden.

Rens Kopmels