Alles is nog mogelijk – Een analyse van een preek van C.A. ter Linden

logo-idW-oud

ALLES IS NOG MOGELIJK

Een analyse van een preek van C.A. ter Linden over Genesis 9:18-25

“Vandaag gaat het over het slot van het Noach-verhaal. Om wat er volgt als de wateren van de aarde zijn weggetrokken en God Noach aanmoedigt om de ark te verlaten, dat donkere gevaarte, die drijvende bunker, de enige plek in die hel des doods, waarbinnen nog leven was.” Zo begon de preek van gastvoorganger Carel ter Linden op 1 juni 2003 in de Oude Kerk te Amsterdam. Deze preek maakte grote indruk op mij. Ik vond deze preek ‘mooi’, zoals de geraakte hoorder na afloop onbeholpen pleegt te stamelen. Wat maakte deze preek mooi? Ter Linden is zo vriendelijk geweest mij zijn preek voor een analyse ter beschikking te stellen, zodat ik mijn hoorervaring met behulp van de tekst op het spoor kan komen. In dit artikel probeer ik de zeggingskracht van zijn preek te reconstrueren. Ik concentreer mij daarbij op het begin van de preek.

Ter Linden begint met een levendige beschrijving van de situatie in de ark. Hij vertelt over de slagregens die uit de hemel vielen, de beukende golven en de angst van de mensen in de ark. Hij stelt zich voor hoe zij na negen maanden de ark meer dood dan levend verlaten hebben. “- Als mensen die een oorlog achter de rug hebben, of een zwaar verlies hebben geleden: zij zijn niet meer dezelfden van voor die tijd…” Het gedachtenstreepje voor de vergelijking suggereert een breuk met het voorgaande, maar gaandeweg blijkt, dat juist deze vergelijking de hermeneutische sleutel tot het verhaal van Noach bevat. Ter Linden beschrijft achtereenvolgens de grote moeite van overlevenden van een oorlog om opnieuw het leven op zich nemen en van nabestaanden bij een sterfgeval om verder te leven en het vol te houden (“voor de kinderen”). Na deze herkenbare beschrijving van moedeloosheid en levensmoeheid stelt hij de vraag wat Noach eigenlijk de moed gaf om de ark te verlaten “en een nieuw leven te beginnen op die aarde, bezaaid met lijken en kadavers van dieren”. Hoe moeten we ons dat precies voorstellen? “Nergens meer leven, een wereld als Hiroshima na de bom.” Na deze verwijzing naar een gebeurtenis ‘dicht bij huis’, vraagt Ter Linden nu algemeen: “Wat geeft de mens de moed om opnieuw te beginnen?” Met deze vraag opent hij het verhaal van Noach als een verhaal over ons zelf.

Het antwoord op deze vraag klinkt nu ook eerst algemeen uit de mond van een man uit zijn laatste gemeente, die zijn tweede huwelijk tot verbazing van ieder in de kerk wilde laten inzegenen: “Juist door de dood van mijn vrouw weet ik dat er een God moet zijn. Als God er niét was, zou de dood het láátste zijn, en dat zou onverdragelijk zijn, dat zou ik niet kunnen accepteren…” Dit antwoord betrekt Ter Linden nu op Noach. Noach wist ook, dat de dood het laatste niet kon zijn. Had God hem niet gezegd ‘Ga uit de ark, gij en uw vrouw en uw zonen en de vrouwen uwer zonen met u’ (Gen. 8:16)? Die met lijken en kadavers bezaaide aarde is niet het laatste woord: er is nageslacht, dat om zorg vraagt en de verwachting van toekomst in zich draagt. Zo leeft ook Noach verder ‘voor de kinderen’. Ter Linden wijst er hier op, dat het négen maanden waren, die Noach in de ark doorbracht: “M.a.w. zelfs in die hel des doods is men nog in verwachting…”

Het is de man die opnieuw trouwt, die expliciet God zelf ter sprake brengt als bron van nieuwe levensmoed en vertrouwen. Het antwoord dat Ter Linden met behulp van het verhaal van Noach geeft is eerst nog impliciet: de verwachting. Maar welke verwachting? En wie staat er garant, wie maakt de belofte van toekomst waar?

In de volgende alinea wordt deze aanvankelijke terughoudendheid dubbel en dwars afgelegd. Deze prachtige alinea bruist van vreugde, geloof en vertrouwen in de God, die aan de mensen een tweede kans schonk. Hier gaan alle remmen los. Nadat Noach het droge betreden had, wordt hij landman en plant hij een wijngaard. “En natuurlijk: wat anders zal Noach planten dan een wijngaard, geroepen als hij is tot een verbond, een verbintenis met Gód, een verbond van trouw, een bruiloft in Kana. Wijn is de drank van het koninkrijk van God. Hij plant een wijngaard en bottelt de opbrengst en viert zijn hernieuwde huwelijk met God zo grondig als hij maar kan: hij viert het goede leven met zijn vrouw en kinderen.” Noach drinkt en hij drinkt veel. Zijn grenzenloze dankbaarheid wordt grenzenloos gevierd. “En als hij straks in zijn tent ligt, in een diepe roes, met een lach op zijn gezicht, slapend, is het of Adam daar ligt, moedernaakt, alle schande en schaamte is weg, dat is allemaal van hem afgevallen. Wij zijn weer even terug in het paradijs, alles gaat opnieuw beginnen, alles is nog mogelijk… Noach slaapt, een pasgeboren kind, in zijn blote onschuld, dromend van God en van een nieuwe wereld. Alles is nog mogelijk.”

Dit besef geeft iemand de moed om opnieuw te beginnen: alles is nog mogelijk. Dat weet Noach. Dat weet de man die voor de tweede keer gaat trouwen. En wij? Ter Linden verbindt heel subtiel het leven van de gemeente met het verhaal van Noach, wanneer hij even later en passant de slapende Noach “een naakte dopeling in Gods arm” noemt. In de doop wordt over ons uitgeroepen, dat wij aan God toebehoren, aan die God bij wie alle dingen mogelijk zijn (vgl. Mat. 19:26). De gemeente als gemeenschap van gedoopten, die in haar midden de doop aan anderen voltrekt, mag weten: alles is nog mogelijk.

Tot zover het begin van Ter Lindens preek, dat de toon zet voor de rest van de preek. Wat gebeurt hier nu precies? Ter Linden springt heen en weer van het bijbelse verhaal naar verhalen uit de pastorale praktijk. In dit heen en weer leggen de verschillende verhalen elkaar uit. Het verhaal van Noach die de ark verlaat, roept verhalen op over andere mensen, die opnieuw moesten beginnen. Omgekeerd werpen deze verhalen nieuw licht op Noachs geschiedenis. Maar Ter Linden wisselt niet alleen bijbelse verhalen af met verhalen over het leven zelf, hij laat ook bepaalde uitdrukkingen en woorden terugkeren, bijvoorbeeld: ‘voor de kinderen’, dood, leven, huwelijk. Hierdoor gaan de verhalen met elkaar resoneren. In deze samenklank ontstaat betekenis. Het vreemde verhaal uit de bijbel wordt met herkenbare ervaringen in verbinding gebracht en tegelijk worden deze ervaringen op heilzame wijze door het bijbelse verhaal vervreemd: zij worden van hun alledaagse context ontdaan en in een nieuw perspectief geplaatst. Wanneer bijbel en leven met elkaar gaan resoneren – al dan niet onder verwijzing naar de liturgie van de gemeente -, dan hoor ik klanken van troost en geborgenheid: ik ben met mijn eigen levensverhaal geborgen in dat grote verhaal van de bijbel. Dat klinkt als muziek in mijn oren. Daarom is deze preek mooi.

Jantine Nierop