In memoriam Willem Barnard

logoIdW

 

IN MEMORIAM WILLEM BARNARD

Willem Barnard is overleden en dat werd spoedig bekend. Aan een lang en vruchtbaar leven is een einde gekomen. Hij was zoveel en hij deed zoveel. In de komende tijd en nog lang daarna zullen artikelen en studies verschijnen over zijn betekenis voor de dichtkunst en de theologie, voor de liturgie en het kerklied. Het deed me goed dat in het nieuws voor de radio over zijn overlijden zijn betekenis als liedboekdichter uitdrukkelijk werd genoemd. Ik hoop dat de gemeente van Christus nog heel lang de woorden zal zingen die hij heeft voortgebracht. De gemeente immers zou volgens hem bepalen of zijn liederen bestaansrecht hadden. ‘Maar het zal de praktijk van de gemeentezang moeten zijn die dat uitwijst. Niet de deskundige in zijn werkkamer, maar het zangersvolk in zijn bonte verscheidenheid, van groot tot klein, van rooms tot doopsgezind, waar men maar zingenderwijze met dat gesmade geloof wil verkeren.’ (Ter Inleiding van Verzamelde Liederen). Met kerstfeest zal zeker gezongen worden: ‘Eer zij God in onze dagen’ en ‘Hoor, de engelen zingen de eer’, zijn door de gemeente geliefde liederen.

Al in de eerste jaargangen van In de Waagschaal schreef hij. Later trokken de aantekeningen uit het dagboek de aandacht. En over hem werd geschreven bij kroonjaren. De verhouding tot dit blad was soms gespannen. Hij heeft ook wel eens bedankt, het blad was hem dan te theologisch en te betweterig, maar na enige tijd zag ik het blad toch weer op zijn schrijftafel liggen.

Barnard was een aandachtig bijbellezer. Een groot deel van zijn leven is hij met de Bijbel bezig geweest, de bijbel in de grondtalen en in vele vertalingen. Met het Bijbellezen en de overpeinzingen over het gelezene heeft hij velen grote diensten bewezen. Bij menig predikant zijn de drie delen Op een stoel staan te vinden en bij nog meer predikanten en anderen het boek Stille omgang (Notities in het dagelijks verkeer met de Schriften). In het Voorbericht schreef hij dat niet gezegd mag worden dat in dit boek zijn theologie staat. ‘Ik heb geen theologie. Ik wantrouw ieder die een theolo-gie heeft…Ware theologie ademt en loopt. Zij is te vinden, te ontmoeten, in een verhaal: het verhaal van de Schrift zoals het gelezen wordt en sprekend wordt in de liturgie, in de loop van een levensjaar’. Hij maakte duidelijk dat hij geen antwoord had op vragen naar ‘het bestaan van God’ of ‘het kwaad in de wereld’ of ‘de bestemming van de mens’. Die vragen duiken wel steeds op en dat zal zo ook wel blijven, maar laten we wel wezen: Ik heb nooit iets ge-lezen dat me deed zeggen dat het nu klaar als een klontje was dat God bestaat of dat ik nu een bevredigend plaatsje had voor het kwaad naast God en dat ik nu ieder kon vertellen wat zijn of haar bestemming was.

Barnard was veel. Hij was ook een vriend. Ik vond hem een geweldige vriend. Onze vriendschap was hecht en onge-compliceerd. Dat laatste moet ook gezegd worden, want in gesprekken met anderen krijg ik soms de indruk dat men het een geweldige prestatie acht om met zo’n man als Barnard vriend te zijn. Niets is minder waar. Je hoefde bij hem nooit op je tenen te staan. Je kon helemaal jezelf zijn. We kwamen bij elkaar en we waren graag bij elkaar. We trokken met elkaar op in de Commissie voor het Dienstboek en later in de redactie van het Utrechtse kerkblad, ‘Hervormd Utrecht’. Van wat hij in dit blad schreef is allerlei in Stille Omgang terechtgekomen.

In de vriendschap deelde ook mijn gezin. Mijn vrouw noemde hij de gravin van Oudwijk en hij was van mening dat zij de beste koffie zette in de stad. Voor mijn dochters was hij oom Willem. Bij zijn bezoeken hadden we veel plezier. Toen mijn jongste dochter nog een jongetje had gekregen, moest Willem het zien. Zij was welkom met kleine Sem. Het was ontroerend om te zien, die oude man met dat kleine manneke op zijn schoot.

Toen mijn vrouw en ik de dag na zijn overlijden enige anekdotes ophaalden, zei zij: het was een leuke man. Dat gaat niet diep, dat besef ik. Maar het was zo, voor ons was hij ook een leuke man, naast al het andere dat hij ook was.

Wij wezen elkaar op schrijvers en dichters die we waren tegengekomen. Hij wees mij op Barbara Pym. Hij dacht dat zij een bijzondere schrijfster was die mij veel stof tot schrijven zou geven en hij had gelijk. In Nederland wist toen bijna niemand van het bestaan van Barbara af. Meestal wisten we van elkaar wat de ander mooi en goed zou vinden. Maar dat ging niet altijd op. Ik wees hem op de dichteres Wendy Cope die ik vond lijken op John Betjeman en die een uit-gave van gedichten van George Herbert had verzorgd. Bovendien had zij heel goed over Herbert geschreven. Willem reageerde echter niet. Later zei hij – wel enigszins aarzelend – dat hij niet zo hield van de gedichten van Herbert. Zijn voorkeur ging uit naar John Donne. Dat was voor mij wel een schok, maar de vriendschap kon dat goed hebben.

Jaren lang maakten we autotochten door het land. Hij was gids en ik zat aan het stuur. Onderweg hadden we het over dichters, schrijvers, de natuur en we zetten een kabinet in elkaar van vrienden en bekenden. Ik herinner me nog dat Arie Spijkerboer minister van defensie zou moeten zijn en Tim Overbosch ambassadeur in Rusland. In zulke dingen hadden we een kinderlijk plezier. Het kon ook gebeuren dat hij ineens dichtregels citeerde. Op een keer was dat het begin van het gedicht The World van Henry Vaugham:

I saw Eternity the other night
Like a great ring of pure and endless light.
All calm as it was bright…

De dag stond dan verder in het teken van het gedicht en van Vaugham.

Willem Barnard is gestorven. Hij mocht heel oud worden, maar desalniettemin zal hij worden gemist in het land van de nog levenden. Ik zal hem in ieder geval missen. Zijn sterven heeft mij beroofd van een vriend die ik liefhad.

Hij schreef eens:

Niemand kan mij zeggen
hoe ik lopen moet
om mij neer te leggen
voor God en voorgoed

einde aller wegen
waar een huis mij groet…

Hij heeft zich neer moeten leggen. Maar ‘voor God’ en met de Heer. En daar is het huis dat hem groet!

Geschreven een dag na het overlijden van Willem Barnard,

M.G.L. den Boer