De mens als ‘beeld van God’ in theologie en politiek

logo-idW-oud

De mens als ‘beeld van God’ in theologie en politiek

Nu de foto’s op mijn bureau liggen vind ik de aanblik eigenlijk nog schrijnender dan toen ik ze maakte. Vooral die van ‘de muur’ blijven me bij. Daarop een slecht getekende Davidster met daarnaast in kapitaal gedrukte rode letters AMERICAN MONEY – ISRAELI APARTHEID. Ja, het was even wennen op de huizenhoge grensafzetting tussen Jeruzalem en Bethlehem dat belastend Nederlandse woord aan te treffen. Het traject Jeruzalem – Bethlehem heb ik in de tachtiger en negentiger jaren tientallen malen met een reisgezelschap gereden. Zonder moeite. Maar dat lijkt eeuwen geleden.

Ook nu is de reis zelf maar een snapje. Een Arabische minibus brengt je voor een paar shekel binnen een kwartier van het busstation bij de Damascuspoort naar het checkpoint. Dan moet je uitstappen, een behoorlijk lange voettocht maken over een met prikkeldraad afgezet betonpad om de soldaten te bereiken. Die jongens en meisjes controleren plichtmatig je papieren onder een in elkaar geknutseld afdak van golfplaten. (Maar een grenskantoor la Marienborn/Helmstedt is in aanbouw.) In groep, met een Nederlands paspoort en het uiterlijk van een blonde Germaan ben je er gauw doorheen. Dat gold niet voor de Palestijnen die nog in het gelukkige bezit zijn van een permit om in Jeruzalem te mogen werken.Voor ze mochten doorwandelen werden ze die middag aan de overkant van de contrôlepost in de wacht gehouden. Gehurkt zittend onder de bomen ondergingen ze dat lot flegmatiek. Aan de Bethlehemzijde van de muur, waarop in nog grotere zwarte letters WARSAW 1943 -BETHLEHEM 2000, word je opgewacht door tientallen gele taxi’s met groene nummerplaten, teken van andere autoriteit. De taxichauffeur die ons nadrukkelijk smeekte om de rit, verkocht ook spontaan zijn politieke mening: Sharon is ook maar een mannetje, Bush levert het geld.

De eerste keer dat we de muur passeerden ging het nog gemakkelijker. We werden vervoerd in auto’s met Israëlisch nummerbord. Op weg naar een kerkdienst in Beth Sahour, een dorp annex aan Bethlehem. Van onze Zweedse collega kregen we onderweg al te horen, dat Beth Sahour voor 90 % werd bewoond door christenen. De Lutherse kerk met school bleek ook naast de Griekse Orthodoxe te staan. Met ons gezelschap, zo’n twintig theologen, plus een handvol rondtrekkende Amerikanen vormden we die zondagmorgen de helft van het aantal kerkgangers. De preek werd gehouden door de evangelist, het gepensioneerd plaatselijke schoolhoofd, terwijl de lutherse bisschop voor ‘Jordanië en het Heilige Land’ voorging in de eucharistie. Beiden Palestijn, deden in de preek en in het praatje na afloop van de dienst een beroep op ons, geloofsgenoten uit Europa en Verenigde Staten. Als christen-Palestijnen wilden ze vreedzaam samenleven met Israël. In twee staten. Maar ze voelden zich in de steek gelaten door medechristenen all over the world. Sinds de muur was de emigratie vooral onder christen- palestijnen enorm toegenomen. Een Amerikaanse krant had juist een paar dagen geleden bericht, dat duizenden christenen bereid waren naar Israël af te reizen om de Joodse kolonisten te ondersteunen en zo de ontruiming van de Gazastrook te voorkomen. Maar christenen, die naar het woord van Jezus vredestichters behoorden te zijn, zouden toch juist wereldwijd hun stem moeten verheffen en moeten uitspreken, dat alle geweld in het Heilige Land gevolg was van de bezetting! ‘Verzoening tussen God en mens voert ons allen in een nieuw verbond van liefde en vrede en niet van oorlog en onderdrukking.’

De tochtjes naar de Westbank maakten deel uit van het seminar The image of God, opgezet door Douwe van der Sluis namens de Stichting COME in samenwerking met de PKN, in de tweede helft van juni gehouden in het Swedisch Theological Institute in Jeruzalem. Vanuit dit instituut is het een korte loop zowel naar de Ben Jehudastreet, koop- en uitgaanscentrum van Nieuw Jeruzalem, als naar de Arabische wijk bij de Damascuspoort en naar Mea Shearim, de negentiende-eeuwse woonplek van orthodox Israël. Die localisatie alleen al confronteert je bij elke stap die je buiten de poort zet met de drie godsdiensten die dagelijks voor wereldnieuws zorgen: jodendom, christendom en islam.

Alleen in Genesis

De typering van de mens als ‘beeld van God’ wordt alleen in het boek Genesis gebruikt, drie keer. In geen van de andere bijbelboeken die synagoge en kerk gemeen hebben komt die term nog eens voor. Wel weer in het Nieuwe Testament. De scheppingsuitroep “Laat ons mensen maken in ons beeld, naar onze gelijkenis” (betsalmenoe kidmoethenoe;1,26) krijgt in de Septuaginta nog een weergave met twee verschillende woorden (eikoon en homoioosis), maar het laatste woord verdwijnt daarna. Als de Hebreeuwse tekst in Genesis 5,1 verkondigt:’Ten dage dat God de mens schiep, maakte Hij hem in Gods gelijkenis’ spreekt de eerste joodse vertaling uit: ‘Op de dag waarop God Adam maakte, maakte Hij hem naar Gods eikoon.’ Aan die Genesisteksten moet Paulus wel gedacht hebben toen hij in de Romeinenbrief het contrast tekende tussen Adam en Christus, alsook toen hij in Kollossenzen 1,15 de laatste uitriep tot ‘eikoon van de onzichtbare God, eerstgeborene van de ganse schepping’. Het accent dat sindsdien in de christelijke theologie op Genesis 3 is gelegd, maakt het dan voor de christen nauwelijks mogelijk over de mens van na de zondeval te blijven spreken als beeld van God.

In de joodse uitleg echter blijft Noach als voordien Adam Gods beelddrager. In de procreatie en het beheer van de aarde draagt de mens Gods beeld. Nieuw is dat Noach voortaan ook vlees mag eten. Maar zonder bloed. Daaraan is de ethische regel gekoppeld: ‘Wie des mensen bloed vergiet, zijn bloed zal door de mens vergoten worden; want God heeft de mens naar zijn beeld gemaakt’(Gen 9,6) Over de verwerking van die bijbeltekst kregen we van één van de Joodse inleiders een keur van rabbijnse teksten voorgeschoteld. Zoals deze: Een Sanhedrin dat eens in de zeven jaar een doodstraf uitspreekt moet moorddadig heten. R.Eleazar b. Azariah stelt: eens in de zeventig jaar. R.Tarfon en R. Akiva stellen: als we leden van het Sanhedrin zouden zijn zou er nooit een doodstraf zijn. R. Simon b. Gamliel verklaart: ze zouden dan in Israël het getal van bloedvergietenden doen toenemen.

Het gemis van gemeenschappelijke teksten belemmert bij voorbaat het theologisch gesprek met de islam. Zocht de ene spreker daarvoor nog een basis met zijn stelling dat een ontbrekend begrip als ‘beeld van God’ vanuit de islam ingevuld moest worden met ‘responsibility’; de andere, een moslima, geboren en getogen in Minnesota(VS) en nu werkend aan een proefschrift over ‘de Islam in de media van de USA’ was heel wat exclusiever in haar betoog. Naar haar eigen woorden: De Islam beschouwt zichzelf als de ‘primordial religion’, die probeert de mens terug te voeren naar zijn oorsprong, de ware natuur waarin hij in harmonie leeft met de schepping. De Koran bevat alle details over wat goed is en slecht. Het wordt niet aan de beperkte menselijke natuur overgelaten om te bepalen wat goed is of slecht. Anders dan het christendom kent de islam niet het concept erfzonde. Allah heeft ook geen bloedoffer nodig om zonde te vergeven. Allah belooft een eeuwig leven in het paradijs aan hen die gehoorzaam zijn en Hem alleen dienen en een eeuwig verblijf in de hel aan hen die Hem en zijn geboden verwerpen. Iedereen, man of vrouw, kan rechtstreeks naderen tot God, zonder bemiddeling van een profeet, heilige of priester. Niet Abraham, Mozes, Jezus of Mohammed kunnen ons redden; door Gods genade zijn mensen individueel in staat zichzelf te redden.

Seculieren over het religieuze beeld

Bij mijn pakket foto’s ligt ook foldermateriaal van B’tselem – The Israeli Information Center for Human Rights in the Occupied Territories. Die seculiere organisatie in 1989 opgericht door academici, journalisten en leden van de Knesset heeft zijn naam bewust ontleend aan Genesis 1,27 en stelt dat daarin artikel 1 van de Universele Verklaring van de rechten van de mens meegehoord wil worden. In Nederland publiceert vooral De Brug, uitgave van SIVMO ( Steuncomité Israëlische Vredesgroepen en Mensenrechten Organisaties) over haar activiteiten. B’tselem houdt de politieke ontwikkelingen en de opbouw van de afgrenzingen op de Westbank nauwkeurig bij en brengt die in kaart voor het grote publiek. Een metersgrote landkaart van de Westbank laat me de verbrokkelde situatie zien: donker- en lichtbruin staat voor Palestijns gebied, licht- en donkerblauw voor direct bestuur van Israël. Met daar doorheen in rood en geel de muur/het hek getekend. Op vele plaatsen duidelijk afwijkend van de groene lijn, de grens van voor 1967. Mijn kaart is van augustus 2004. De afscheidingen liggen nu al weer anders.

Oranje was de kleur die we vooral in Jeruzalem zagen. Oranjelinten aan autoantennes, rugzakken, schooltassen; oranje petjes en T-shirts vooral gedragen door veelal baardige ouderen. Geen teken van Hollandse voetbalgekte, maar symbool van religieus politiek verzet tegen ‘de ontruiming’. Religieus rechts is in Israël duidelijk in opmars en wonderlijk genoeg kan alleen een rechtse regering onder een vechtersbaas als Sharon een terugtrekking uit de Gaza-strook realiseren. Of het de vrede dichterbij zal brengen? Een onvermoeibare activist als Uri Avnery heeft er geen grote verwachtingen van. Hij bepleitte al in 1968 dat IsraÎls terugtrekking. Op uitnodiging van Een Ander Joods Geluid sprak hij op 5 juni van dit jaar in de Amstelkerk in Amsterdam en gaf ons allen het advies mee: Love Israël, hate the occupation. In zijn rondzendbrief van 23 juli waagt hij het de mars van de ‘oranjehemden’ te vergelijken met die van de bruin hemden (Duitsland) en de zwart hemden (ItaliÎ) van voor de Tweede Wereldoorlog. Avnery ziet de democratie in Israël bedreigd door religieuze ideologie. De Torahuitleg van veel orthodoxe rabbijnen heeft fascistische trekken gekregen, terwijl in de kakofonie van meningen de stem van de intelligentsia niet gehoord wordt. ‘Laat het duidelijk zijn: In Israël heeft de Joodse religie een compleet ander gezicht gekregen.’ Insgelijks analyseerde Abram de Swaan de situatie in de Volkskrant van 30 april: ‘Veel joden,orthodox én zionist (en vooral orthodox en zionist tegelijk) rechtvaardigen het optreden van IsraÎl tegen de Palestijnen met de genocide op de joden in Europa. Daarmee wordt de holocaust een religieus en nationaal fenomeen en bovendien de grondslag voor een politieke claim.’
In Ramallah werd ik minder geïnspireerd door de stiltedienst van Amerikaanse Quakers, pacifisten, dan door het betoog van de secretaris van de PCPD (Palestinian Centre for Peace and Democracy). Die organisatie poogt sinds 1992 de democratie vaste grond te geven in de Palestijnse samenleving. Daarbij schuwt ze de kritiek niet op de corruptie en vriendjespolitiek onder Arafat. Met financiële hulp van de Europese Commissie was juist het driejarig project afgesloten over Bevordering van democratie en van vrouwenrechten. Maar Frankrijk en Nederland had hen een slechte dienst bewezen door in het referendum Nee te zeggen tegen de Europese Unie.

Terug in Nederland blijven de beelden en woorden me achtervolgen. Vooral de kloof tussen de theologische reflectie en de politieke werkelijkheid stelt me vragen. Waarom versta ik een seculiere organisatie als B’tselem (Elohiem) veel beter dan de religieuze, zich in oranje tooiende Joden? Waarom kom ik niet los van dat woord apartheid en blijven in mijn hoofd de oproepen van Palestijnen aan het adres van ons, Europeanen, rondspoken? Via Jezus Christus, eikoon van de onzichtbare God, heb ik weet van de God van Israël, maar weet ik mij ook betrokken op Palestijnen, als mensen beelddragers van God. Wegwijzend blijft voor mij die oude midrasj, die volgens Theo de Boer ook Levinas graag aanhaalde: Hoe waren de Tien Geboden gerangschikt? Vijf op de ene tafel, vijf op de andere. Op de ene tafel stond geschreven: Ik ben de HERE, uw God en er tegenover op de andere: Gij zult niet doden. Dit leert ons dat als iemand het bloed van een ander vergiet, het hem wordt toegerekend alsof hij het beeld van God verminderde.(.) Er is immers gezegd: Wie des mensen bloed vergiet. Want naar het beeld God heeft hij de mens gemaakt(Gen. 9,6)

Henk Lensink