Een civil society in Afrika

logoIdW

 

EEN CIVIL SOCIETY IN AFRIKA

In mijn beide vorige bijdragen over Afrika tekenden zich twee lijnen af. De eerste is de claim van Hans Ehrenberg dat de toekomst is aan de kerk van het Zuiden. Daarmee bedoelt hij een kerk die geloof in leven doet overgaan, een kerk die de erfenis van Johannes realiseert, namelijk dat de geloofsgemeenschap door de onderlinge liefde bestaat. Dat is eigenlijk ook geen kerk meer, maar heel de maatschappij gaat dan met elkaar om als kerk en gaat dus op in de kerk (of andersom, maar dat maakt dan niet meer uit). De kerk van het Zuiden is wat Hans Ehrenberg betreft de maatschappij die de moraal realiseert die de Kerk predikte, een maatschappij van barmhartige Samaritanen. De tweede lijn is die van het boek van Jaap van Slageren, Joodse invloed in Afrika, dat laat zien hoe Afrika steeds bezig geweest is niet alleen het Egyptische Rijk te beërven, maar ook de joodse thora! In deze derde bijdrage wil ik graag die lijnen bij elkaar brengen. Hoe staat het met Afrika in de actualiteit? Welk dilemma tekent zich af in de huidige ontwikkeling van Afrika? Wat betekent dat voor een verdere ontvouwing van de joods christelijke traditie en hoe worden de beide eerdergenoemde lijnen daarin mogelijk doorgetrokken?

Gevangen tussen traditionele en moderne waarden

Om te beginnen heeft Afrika een groot probleem. Waar Azië en Latijns-Amerika beginnen mee te doen in de economische groei, blijft Afrika achter. De econoom Paul Collier heeft berekend dat Afrika al ongeveer 30 jaar lang op een groeipercentage van nul staat en dat, als er geen ontwikkelingshulp geweest was, dat groeipercentage -1% geweest zou zijn. Als oorzaken van deze situatie worden vaak genoemd de corruptie, teveel staatscontrole en het gebrek aan democratie. Maar dat is slechts een oppervlakkige analyse. Want waarom is dat zo? Na de dekolonisatie hebben de nieuwe machthebbers alles gedaan om de staat onder controle te brengen van de tribale groep of groepen die zij vertegenwoordigden. Dat heeft heel veel staatscontrole met zich meegebracht, waaronder nu nog de Afrikaanse economie lijdt. Wie geen relaties heeft bij de regering, dat wil zeggen wie niet lid is van een of ander patronage-systeem, of bondgenoten van eigen stam of clan ergens in het bureaucratisch apparaat heeft, kan nog steeds vaak op tegenwerking rekenen. Een vergunning komt maar niet af, er is gesteggel over belastingen en er zijn controles enzovoort. Ook bij de in- en uitvoer van goederen komt men de bureaucratie tegen.

Er is niet een algemene maatschappelijke situatie van anoniem vertrouwen. Als je een taxi neemt, moet je eerst weten of dat een taxi is van een betrouwbaar bedrijf. Een relatie moet je die naam gegeven hebben. Dan zit het goed. Producten koop je bij een bedrijf, omdat je daar iemand kent, die je vertrouwt. Politici winnen stemmen door privileges aan hun achterban te verstrekken. Wie veel geld uitgegeven heeft om de verkiezingen te winnen, kan dat later weer terugverdienen omdat de staatsfinanciën niet transparant zijn voor buitenstaanders. Hij kan zorgen dat een project van regeringswege bij zijn bedrijf wordt aanbesteed voor een veel te hoge prijs. Iedereen probeert daar zijn voordeel mee te doen, ook westerse bedrijven. In plaats van bijvoorbeeld licenties voor olieproductie of andere grondstoffen op de markt bij opbod te verkopen, is het vaak gemakkelijker zowel voor de minister als voor een westers bedrijf gebruik te maken van een goede relatie en zo de licentie te verlenen of te verkrijgen. Wat daarvoor betaald wordt en hoe, is ondoorzichtig. Sedert de jaren 90 is de Wereldbank en in het gevolg daarvan de publieke opinie zich druk gaan maken over “governance”, een mooie term voor wanbestuur.

De term governance wordt vaak tegelijkertijd genoemd met een andere term: Civil Society. Er is geen open maatschappij in Afrika. Heel de maatschappij wordt beheerst door allerlei (elkaar ook overlappende, dat wel) wij-groepen en de daarbijhorende loyaliteiten. De waarden van de oude stammensamenleving worden daarin nog weerspiegeld: een vaderfiguur met absolute autoriteit heeft het gezag over zijn volgelingen die op hun beurt een sterk gevoel van onderlinge saamhorigheid hebben en daarvan is het vaderlijk gezag en de autoriteit van de leider de stem en de belichaming. Maar dat werkt niet meer. Dat werkte in de kleine groep van de stam. Door de moderne samenleving worden al die wij-groepen gemengd, maar er ontstaat (nog) niet een moraal of een complex van waarden die die verschillende groepen op elkaar af kan stemmen.

Ontwikkeling, techniek en Civil Society

Als dat in Afrika zo problematisch is, hoe is dat dan ooit in het Westen gegaan? Ruim 1000 jaar geleden waren er ook in het Westen eigenlijk alleen maar stammen. De monnikenorden hebben er alles aan gedaan die stammen vreedzaam te laten samenleven en daarbij hielp het bouwen van dijken en de driejarigen landbouwcyclus, die het mogelijk maakte een sedentair leven te leiden. De stammen trokken altijd verder nadat de bodem was uitgeput. Maar rondtrekken betekende ook strijd met andere stammen en clans. Het celibaat werd daarom zo streng gehandhaafd omdat de kerk de behoefte voelde met die stammenloyaliteiten te breken. Dezelfde monnikenorden hielpen voormalige horigen stadsrechten te formuleren en de stedelijke cultuur die op deze wijze ontstond hielp om de familieverbanden en de stamverwantschappen verder naar de achtergrond te drukken. De Reformatie heeft de laatste slag toegebracht aan het stammenleven, omdat nu kerkelijke gemeenten gingen functioneren als de binnenruimte waarin men elkaar vertrouwde en hielp in plaats van de clans. Gaandeweg ontwikkelde zich (ontwikkelen is een zwak woord: het werd bevochten!) een samenleving waarin de macht van de stammen, alsook de macht van de centrale overheid werd teruggedrongen. Dit ging hand in hand met de technische ontwikkelingen, waarvan er al enkele genoemd zijn: de driejarige landbouwcyclus, dijken, toegenomen mobiliteit (een nieuw soort paardenbespanning hielp daarbij!), mijnbouw, gebruik van waterkracht en in ons land van wind – in de middeleeuwen namen de monnikenorden daarin de leiding een later ging deze leiding over naar een aristocratische middenklasse, die zijn eigen bestaan feitelijk aan deze ontwikkeling dankte. Daarmee bereiken we een definitie van een Civil Society: het is een type van maatschappelijke organisatie die gebaseerd is op de vrije associatie van individuen los van stammenloyaliteiten en los van staatsautoriteit. Hier duikt het bekende maatschappelijk middenveld op.

Deze ontwikkeling werd pas mogelijk doordat in een aantal revolutionaire stappen tegelijkertijd een set nieuwe omgangsvormen en waarden opkwam: “rule of law” en “rule by law”, tegen arbitrair machtsgebruik, algemene civiliteit, waarbij geen burgers uitgesloten worden, gewetensvol handelen, teamspirit in de publieke sfeer en met strikte accountability, en niet in de laatste plaats het inbouwen van gelijkheid, kritiek en zeggenschap ook in hiërarchische relaties: ook de baas moet tegen kritiek kunnen en ook de top moet zich iets van de basis aantrekken. Hierdoor is een gemeenschappelijke binnenruimte ontstaan: in principe vertrouw je elkaar, totdat het tegendeel blijkt. In Afrika is het meestal andersom.

Deze ontwikkeling in het Westen is een erfenis van de kerk van de middeleeuwen, van de Reformatie in de nieuwe tijd, en van de seculiere revoluties van Frankrijk, Rusland en de wereldoorlogen.

Afrika, collectivisme en Civil Society

Afrika wordt geconfronteerd met een moderne industriële maatschappij die het product is van deze westerse ontwikkeling en is daardoor gevangen tussen twee werelden en krijgt van beide werelden in vele opzichten het slechtste mee. De moraal van onderlinge solidariteit van de stam werkt niet meer, nu alle stammen door elkaar leven. Techniek impliceert grootschaligheid. Ontwikkeling, technisch en economisch, verlangt samenwerking tussen vele partijen, die in een soort anoniem vertrouwen samen dingen tot stand brengen (natuurlijk onder controle van het rechtssysteem dat de rotte appels eruit haalt). Veelal gedragen Afrikaanse presidenten zich als een soort stamhoofd met ongelimiteerd (goed bedoeld vaderlijk) gezag. Zij verlenen privileges aan de wij-groep die de macht heeft. De industriële maatschappij drijft daar wel handel mee, maar brengt daar niet of slechts mondjesmaat de open vormen van samenwerking in binnen, die in het Westen wel de overhand heeft. De al eerder geciteerde econoom Paul Collier heeft voorgesteld dat de Verenigde Naties een aantal charters op zouden stellen naar analogie van het charter voor de mensenrechten. Er zouden een aantal internationale standaarden op het gebied van economie, financiële transparantie en governance moeten gelden, waarvan de stand van zaken jaarlijks gepubliceerd wordt. Je maakt dan zichtbaar welke natie of staat volgens de regels handelt en wie niet. Dat heeft op zich al een werking.

Kerk van het Zuiden?

Wie de geschiedenis bestudeert merkt op dat nooit het ene volk zonder meer zijn waarden en normen gekopieerd heeft van een ander volk. Ook van de democratie in het Westen zijn verschillende versies en vormen. Ook Afrika zal niet de westerse Civil Society zo kunnen overnemen als die in het Westen bestaat. De Civil Society van het Westen is op zich al een erfenis van de kerk. Zonder dat de kerk deze binnenruimte geconstrueerd zou hebben, was die er niet geweest. Het Westen heeft vooral het collectivisme en de eenheidsbeweging van de stammen teruggedrongen. Zou het kunnen dat de missie van Afrika erin bestaat het collectivisme van de stam en de saamhorigheid die daarbij hoort te handhaven en daarin de erfenis van de Civil Society te integreren? Als dat zo is, zou dat een stap vooruit zijn in de heilsgeschiedenis en dicht in de buurt komen van wat Ehrenberg bedoelt met de kerk van het Zuiden. De moraal en de saamhorigheid en de solidariteit van de binnengroep van de stam zou daarmee uitgebreid worden over heel de samenleving. Veel bedrijven in Afrika beginnen met gebed, zang en dans om het groepsgevoel te stimuleren. Zij voelen dat zij de liturgie van de eenheidsbeleving nodig hebben voor ze aan het werk gaan. Is dat een belofte voor de toekomst?

Otto Kroesen

Auteur is universitair docent ethiek en techniekdynamica aan de TUDelft