God is het gat

logoIdW

 

GOD IS HET GAT – GERRIT ACHTERBERG

Als protestantse leerling op een katholieke middelbare school had ik het voordeel dat ik tijdens de lessen Nederlands, bij de klassikale bespreking van gedichten van Achterberg en Nijhoff, opzien kon baren met het aanwijzen en thuisbrengen van bijbelse uitdrukkingen. Op een goede dag begon de leraar met het lezen van Achterbergs ‘Ballade van de gasfitter’ (1953). Met maar weinig ervaring in het lezen van Achterberg was de ballade een steile helling, maar ik herinner me dat ik rond het negende gedicht aangegrepen werd door een soort theologische duidingskoorts. Het inzicht drong zich aan mij op dat het gedicht niet slechts met enkele ontleningen aan de Bijbel verbonden was, maar op een veel dieper niveau. In plaats van het ene A4-tje waarop de leraar onze leeservaringen wilde terugzien, leverde ik zes kantjes in met een alles verklarende duiding, waarvan ik me alleen nog herinner dat het Pinksterverhaal uit Handelingen 2 er een belangrijke rol in speelde. En ook dat ik er na die zes kantjes nog niet helemaal uit was.

Nu ik na zoveel jaren de ballade herlees, kan ik de opwinding van toen gemakkelijk terughalen, maar ook de ervaring dat de gasfitter tergend ‘onoverwinnelijk’ is, zoals Kees Fens ooit schreef. Ik wil de ballade hier in grote lijn presenteren, met speciale aandacht voor het negende gedicht, dat in de sonnetstructuur van de ballade (14 sonnetten, 2 groepen van 4, 2 groepen van 3) het keerpunt vormt.

Hoofdpersoon in de ballade is een gasfitter. In het eerste gedicht blijkt dit beroep een vermomming. Een ik-figuur kiest het incognito van een gasfitter om door te dringen tot een gij, zijn ontwijkende alter-ego. Deze ik-gij relatie blijft raadselachtig. Ze speelt een belangrijke rol in de eerste vier gedichten, maar verdwijnt daarna naar de achtergrond. Wonderlijk is ook dat de ik-figuur zich zo sterk met de rol van gasfitter identificeert. Aan het begin neemt hij de rol op zich en na gedicht XI legt hij de rol ook weer af, maar daartussen is de identificatie naar het schijnt volkomen. De manier waarop het leven en het beroep van de gasfitter in de ballade worden beschreven (ondergronds werk verrichten, zoeken naar een lek en dat dichten etc.) doet vermoeden dat we bij de gasfitter kunnen denken aan een dichter. De dichter wordt geboren uit het verlangen naar contact met een ‘gij’, maar als de ik-persoon eenmaal voor het dichterschap heeft gekozen, neemt het bezit van hem, ook al is het contact met de ‘gij’ er nauwelijks meer mee gediend. Het gaat in de ballade dus meer over de nukken van het dichterschap, dan over het contact tussen ik en gij.

In de eerste vier gedichten lezen we hoe de gasfitter in het huis van de ‘gij’ aan het werk gaat en dat ervaart alsof hij zich in een graf bevindt. Hij heeft gewelddadige neigingen, maar bedwingt zich en komt na het dichten van een klein lek weer bovengronds. De ‘gij’ is dan verdwenen. In het tweede viertal gedichten krijgt de gasfitter, van wie we weten dat hij een ‘man van de gemeente is’, na werktijd van zijn directeur het bevel om de volgende morgen terug te keren naar dezelfde straat. De gasfitter, die bang is voor een nieuwe mislukking, wil zich voorbereiden en vertrekt spoorslags naar een flat ‘daartegenover’. Wat hij verwacht van zijn bezoek aan de flat wordt niet helemaal duidelijk. Opnieuw een ontmoeting met de ‘gij’? ‘Bij de nummerborden/ zal het me dan vanzelf duidelijk worden’, denkt hij.

Met de flat, de moderne verworvenheden die tot de inventaris van de flat behoren (nummers, glas, nikkel, staal, drukknoppen) en met de conciërge van de flat, die cijfers in zijn hoofd heeft, is de hoop op verheldering verbonden. Als de fitter echter ’s nachts bij de flat aankomt, treft hij zijn mogelijke vraagbaak, de conciërge, in slaap. In het volgende gedicht wandelt de fitter de ochtend daarop door buitenwijken. Hij voelt zich vogelvrij, maar noemt dat ‘een ongekend veilig gevoel’. Nu staat hem ‘de laatste mooglijkheid’ te wachten, ‘het slot/ van wat hem nog geen fitter heeft geflikt’. Dat brengt hem terug bij de flat. Daar vraagt hij waar het gat zit. Door een dienstmeid wordt hij naar boven gestuurd. Hij gaat per lift.

Het negende gedicht, dat nu volgt, is het spannendste uit de cyclus.  

Hoe hoger of ik stijg hoe groter wordt

de ruimte tussen u en mij. Het leven

voelt zich door nikkel en door staal omgeven.

Het bouwsel komt geen klinknagel te kort.

 

Hier zit geen gas. God is het gat en stort

zijn diepten op mij uit om te beleven

aan een verwaten fitter hoe verheven

hijzelf bij iedere étage wordt.

 

Verdieping na verdieping valt omlaag.

Ik weet niet waar of wat ik moet beginnen.

Misschien schiet me een laatste woord te binnen

als ik hem naar de eerste oorzaak vraag.

Een schok gaat door mij heen. Ik moet er uit

en geef het over aan zijn raadsbesluit.

 

Hoewel de gasfitter beseft dat hij de afstand tot de ‘gij’ vergroot en zich in een omgeving begeeft die vreemd is aan het leven en zijn beroep (‘Hier zit geen gas.’), laat hij zich door de lift naar boven brengen om de confrontatie met God aan te gaan. Waarom God? ‘God is het gat’, weet de gasfitter, en vormt als zodanig een Olympische uitdaging voor iemand die gaten dicht. Als hij God kan dichten, heeft hij misschien de ‘gij’ nog niet bereikt, maar is hij wel een super-gasfitter geworden. En bij gebrek aan succes met de ‘gij’ is dat een aantrekkelijk alternatief.

De volgende twee gedichten alsmede het laatste drietal beschrijven de afgang van ‘de verwaten fitter’. Hoewel hij daarboven een huis met vele woningen aantreft en representanten van de ontelbare schare uit Openbaring 7 (‘Heren van alle natie, tong en ras’), kan hij daar met zijn ‘smoesjes’, zijn gedichten?, niet terecht. Hij daalt weer af en komt in de cyclische drukte van het alledaagse leven terecht. Uiteindelijk vervoegt hij zich bij zijn directeur, die teleurgesteld is, maar hem niet hard valt. In de drie laatste gedichten wordt de gasfitter hardhandiger teruggefloten. Eerst maken we mee hoe de vakbond van fitters haar leden tot een gezamenlijke schuldbelijdenis brengt, zodat ze ‘dood op hun gemak’ hun weg vervolgen. Daarna lezen we hoe de gasfitter als een ‘kindse vent’ in het ouwemannenhuis zit. In gedicht XIV maken we ten slotte mee hoe hij sterft, wordt afgelegd en begraven ‘in het laatste gat dat hij had op te knappen’, een plechtigheid waarbij ook de directeur, de ‘ik’ en enkele andere personages aanwezig zijn.  

Over de interpretatie van de ballade is veel te zeggen. De gasfitter bezit onloochenbaar trekken van Orpheus en van Christus. Zijn hemelvaart in de flat doet denken aan Goede Vrijdag en Pasen, maar even opvallend is de vruchteloosheid en steriliteit van de hele exercitie en de alomtegenwoordigheid van de dood. Als het terecht is, dat we in de gasfitter een metafoor voor de dichter zien, dan wordt het vermogen van de dichter om de dood te bedwingen – een bekend geloofsartikel in de poëtica Achterberg – in deze ballade sterk gerelativeerd. De conclusie lijkt te moeten zijn dat het incognito van de fitter ‘ik’ en ‘gij’ niet dichter tot elkaar brengt. Alleen in het ontluisterende gedicht van Achterberg zelf, in de mislukking van de fitter, zit misschien iets van waarheid. De kring van getuigen rond het laatste gat van de fitter is daarvoor misschien een aanwijzing.

Udo Doedens