Tussen al het andere in – Hongerwinter

logo-idW-oud

 

TUSSEN AL HET ANDERE IN – Hongerwinter

Velen, vooral in het westen van het land, hebben tegen het einde van de oorlog de hongerwinter meegemaakt. Degenen die familie of kennissen hadden op het platteland stuurden hun kinderen naar hen toe. De kinderen hadden dan te eten en zelf had men de bonnen van de kinderen. Over de laatste weken van de oorlog schreef J. Bernlef een korte roman, Een jongensoorlog (Querido 2005; als Singel Pocket in 2007 vierde druk), over Michiel die dan 12 jaar is. Voor Bernlef heeft het verhaalde blijkbaar een bijzondere betekenis. In 1965 verscheen zijn debuutroman Stukjes en beetjes, door hem bewerkt tot Achterhoedegevecht in 1989. Nog was hij niet tevreden en zo kwam hij in 2005 met een Een jongensoorlog. Zo’n geschiedenis heeft geen van zijn andere boeken.

De eerste zinnen van de roman luiden: ‘Michiel staarde voor zich tussen de lamoenstokken naar de deinende staart van het schonkige paard dat de kar moeizaam over de smalle asfaltweg trok. Naast hem op de bok zat een man die hij twee uur geleden voor het eerst gezien had, Jan Tulp. Hij hield de teugels losjes tussen zijn neerhangende handen en stampte zo nu en dan met een van zijn klompen op de voetenplank van de bok. Het was begin april. Koud.’ In het laatste korte hoofdstuk (15) van de roman zit Michiel weer naast Jan Tulp op de bok, op de terugreis. ‘Het was alsof er niets gebeurd was toen hij op de bok naast Jan zat en langzaam naar Amsterdam terugreed…’ Toch is er heel wat gebeurd. Michiel, enig kind. komt in een voor hem vreemde wereld van een vader en moeder, een oudere zoon en twee jongere dochters. Hij krijgt te maken met andere jongens en meisjes op een vreemde school. Hij wordt door de vrouw die zijn moeder niet is naakt in een tobbe geboend. Hij heeft zijn eerste sexuele ervaring. Hij loopt op klompen en krijgt schaafwonden. Hij voert een jongensoorlog om zich staande te houden en ondertussen woedt nog steeds de grotemensenoorlog.

Voordat hij naast Jan Tulp op de bok zat, had zijn vader gezegd: je gaat een grote reis maken, je gaat een tijdje logeren bij de familie Tulp. Tot de oorlog voorbij is, zei zijn moeder. Hij wilde echter geen grote reis maken en logeren. Hij wilde bij zijn ouders in Amsterdam blijven. Dan zegt de vader wat vaders en moeders in oorlog en vrede, in voor- en tegenspoed, bij regen en zonneschijn tegen hun kinderen zeggen: ‘Het is voor je eigen bestwil jongen’. En nog nooit was een jongen of meisje daarvan overtuigd. ‘Zo wilden ze hem dus verraden, wegsturen, als Hagar en Ismaël in het verhaal dat in het boek Moeder leest voor stond, dat hij op zijn verjaardag gekregen had en waarin zijn moeder in haar handschrift Voor Michiel – 14/1/1945 had geschreven. Hagar en Ismaël. Die waren de woestijn in gestuurd.’ Het verhaal van Hagar en Ismaël uit het boek keert telkens terug. Michiel vindt daarin zijn lot en situatie getekend. Als de brug bij het dorp is gebombardeerd, slaat hij het boek op. Hij dacht toen dat hij nooit meer daar vandaan zou komen. Zijn moeder die op de fiets met houten banden hem zou komen bezoeken, kon zonder de brug hem niet bereiken. Maar als een Amerikaanse piloot is neergeschoten en daar verborgen wordt gehouden, denkt hij aan de engel uit het verhaal. De piloot is ook een soort engel.

Het boek met het verhaal, ontleend aan Genesis 21, is voor Michiel ook een houvast. Het moet dan ook ongerept blijven. Op een dag heeft de jongste dochter van de familie het kaft bekrast. Dat moet ongedaan gemaakt worden. Het enige gommetje is dat van de meester. Als deze niet kijkt pikt hij het. Natuurlijk mist de meester het en is er een meisje dat hem verraadt. Hij wordt voor een dag van school gestuurd. Tante Merel vindt het niet erg. Zij is trouwens op haar manier toch aardig voor hem. Toen zij hem in haar huis ontving, had zij gezegd dat hij flink gegroeid was sinds zij hem zag geboren worden. Vroeger zullen dus zij en zijn moeder elkaar hebben gekend. Zij koopt voor hem schoolschriften en zij spoort hem aan zijn moeder te schrijven, want de brief zal vast en zeker aankomen.

Op een andere dag vindt er een overval plaats. De ketel die van suikerbieten stroop maakte wordt gevorderd en uit de muur getrokken. ‘Vlak achter de enorme soldaat stond hij stil en keek tegen de donkere, doffe geweerkolf op, tegen de wijdbeens staande gebarsten laarzen, de helm die de nek van de soldaat bedekte. Een paar meter voor hem in het halfduister van het portaal stonden tante Merel, Jan en oom Johan naast elkaar met hun handen omhoog. Zijn tante huilde zonder dat hij haar hoorde maar hij zag duidelijk de tranen die in twee bibberende kanaaltjes over haar gezicht in haar geplooide hals liepen, waarlangs zij verder stroomden tot zij in de donkere gleuf tussen haar borsten verdwenen.’ De soldaat met zijn geweerkolf, zijn laarzen en helm èn de huilende tante met de gang van haar tranen.

Oom Johan had een illegale handel in stroop. Hij leverde ook aan de buurman, een lid van de NSB en een losbol. Op straat mocht Michiel hem echter niet groeten. De jongen kan nog niet volgen dat er principes zijn en dat toch tegelijk geldt ‘navigare necesse est’.

De arts van het dorp had de naam dat hij zich verbroederde met de Duitsers. Michiel ziet tot zijn verbazing dat de Duitsers de Amerikaanse piloot wegvoeren uit het huis, samen met de arts en zijn vrouw. De dingen zijn vaak heel anders dan je denkt.

Als de bevrijding eindelijk een feit is, wordt er gefeest, maar dat niet alleen. Liza, het moffenhoertje wordt kaal geknipt en er worden arrestaties verricht door mannen in blauwe overals. ‘Dit was de Bevrijding en iedereen was vrolijk en op zijn vraag antwoordde oom Johan: “Morgen, morgen ga je naar huis, je moet niet zo zeuren!” Michiel zweeg. Hij voelde zich neerslachtig…Alles ging aan hem voorbij, zelfs de Bevrijding…’

Het maakt toch heel wat uit waar en met wie je de Bevrijding meemaakt. Voor Michiel was de Bevrijding vooral de mogelijkheid om zo snel mogelijk terug te keren naar zijn ouders en naar Amsterdam. De Bevrijding met de terugkeer betekent ook het einde van de hongerwinter. Zijn ouders en hij zullen meer hebben dan alleen bruine bonen.

Michael Bource