Water en vuur

logo-idW-oud

 

WATER EN VUUR

Robert Harris, Pompeii, Londen 2003

De schrijver

Robert Harris, in 1957 geboren te Nottingham, studeerde geschiedenis in Cambridge. Hij was verslaggever bij de BBC, politiek redacteur bij de Observer en columnist bij de Sunday Times. In de jaren ’80 schreef hij onder meer A higher form of killing: the secret story of gas and germ warfare (over de biologische oorlogsvoering) en Selling Hitler: the story of the Hitler diaries. Met zijn vrouw en kinderen woont hij in een voormalige pastorie te Kintsbury bij Londen. Zijn woning zal wel ‘the old vicarage’ worden genoemd. In Engelse dorpen woont in een huis met die naam vaak een huisarts. De vicar is verbannen naar een appartement, een flatje of een bungalowtje, precies zoals in ons land de predikant.

In de jaren ’90 schakelde Harris over van non-fiction naar fiction. In 1992 verscheen zijn Fatherland over het Europa in de jaren ’60, maar dan een Europa waar Hitler het voor het zeggen heeft. De bevolking maakt zich op voor een grootscheepse viering van de vijf en zeventigste verjaardag van de Führer, de grote overwinnaar van de Tweede Wereldoorlog. Berlijn staat vol monumentale gebouwen van architecten als Speer. De president van de Verenigde Staten wordt ook voor de feestdag verwacht. Voor zijn onderdanen zijn tot dusver de gruwelijke misdaden tegen de menselijkheid verborgen gebleven en men is onkundig van de moord op miljoenen Joden. Maar zal dat verborgen kunnen blijven?

Bij zijn eerste roman viel al op dat Harris niet tevergeefs geschiedenis had gestudeerd. Hij had nauwkeurig onderzoek ingesteld en wat hij had gevonden beheerste hij dusdanig dat de documentatie de gang van de roman niet in de weg stond. De historicus en journalist met ‘research’ en documentatie was ook aan het woord in de latere romans: Enigma (1995) en Archangel (1998).

Enigma speelt zich af in Bletchley Park, waar een grote groep dag en nacht bezig is met het kraken van de Duitse Enigma-code. Over deze roman heb ik indertijd iets geschreven in dit blad, naar ik meen over een rouwdienst waar gelezen wordt dat wij allen zullen veranderd worden ‘in the twinkling of an eye’ uit I Cor. 15 en dat een medewerkster van Bletchley Park, de dochter van een vicar, daardoor wordt getroffen, hoewel zij het al vele malen had gehoord en gelezen. Zo gaat dat met de ‘mysteries’ van de apostel Paulus. Met Archangel, de derde roman, zijn we in het Rusland onder Boris Jeltsin. Een Engelse onderzoeker gaat na een tip op jacht naar geheime documenten van Josef Stalin. De documenten zijn bijzonder onthullend en het openbaar maken moet dan ook, koste wat het kost, verhinderd worden. We komen een zoon van Stalin tegen die een aardje naar z’n vaartje heeft.

Opmerkelijk is dat de romans van Harris telkens als titel één woord hebben, een woord met drie lettergrepen: Fatherland, Enigma en Archangel. Ook de vierde roman, Pompeii (2003), heeft één woord met drie lettergrepen tot titel.

De vierde roman

Met Pompeii gaan we ver terug in de geschiedenis, naar het jaar 79 na Christus en in dat jaar de maand augustus. Op 24 augustus was er een uitbarsting van de Vesuvius met ontstellende gevolgen. Dat is een overbekend feit. Het is ook het allesbeheersende feit in de roman van Harris. Maar al weten we de afloop, toch weet Harris de spanning er in te houden.

Zoals je in Enigma de kou voelt in de kille gebouwen van Bletchley Park gedurende een oorlogswinter met onvoldoende brandstof, zo voel je de broeierige hitte van die drie dagen in de maand augustus van het jaar 79 in Pompeii.

Marcus Attilius Primus is nog maar 27 jaar en al weduwnaar en aquarius, waterbouwkundig ingenieur. Hij heeft het toezicht over de Aqua Augusta, een lang aquaduct dat het water uit de bergen vervoert naar al de steden in de Golf van Napels. Elke dag water voor een kwart miljoen mensen! Attilius is een man met een opdracht. Er is iets gebeurt. De stroom stokt. Er is ergens een blokkade. Attilius moet onderzoeken wat er aan de hand is en het water weer laten stromen. Hij is een man met een opdracht en een man met plichtsbetrachting, zo anders dan velen om hem heen: zijn vijanden, de opzichter Corax, die hem de voet dwars zet en zelfs tracht hem te vermoorden, Ampliatus, die slaaf was geweest, vrij werd en de vrijheid misbruikte om zijn lusten bot te vieren, een wrede man en door en door corrupt, die hem wil laten arresteren, de bestuurders van Pompeii die de waarschuwingen in de wind slaan en hun pleziertjes blijven najagen, en dat ook doen op het feest van de god Vulcanus.

De voorganger van Attilius was verdwenen en om onnaspeurlijke redenen werd er niets over hem vernomen.. Attilius merkt dat niemand iets over Exomnius wil vertellen. Dat is verdacht.

Oom en neef Plinius

Attilius komt in contact met Gaius Plinius de Oudere (23-79) in de havenstad Misenum, dan admiraal van de vloot in de Golf van Napels. Van Plinius komt hij te weten dat er bijna geen water meer is in Misenum, maar dat er geen watergebrek is in Pompeii.

Plinius, het type van de man die altijd met een notitieboekje op zak loopt (zoals een Engelse schrijver zei, wiens naam mij is ontschoten), vat sympathie op voor Attilius. Hij herkent in hem een geestverwant, iemand die ook een scherp oog heeft voor vreemde verschijnselen. In de roman is Plinius vergezeld van een slaaf die moet opschrijven wat hij hem dicteert. En Plinius dicteerde heel veel, want hij heeft veel waargenomen. Hij was een universele geest: iemand die onnoemelijk veel heeft geschreven, een groot geleerde, natuuronderzoeker, politicus, en militair.

Hij stuurt Attilius naar Pompeii. Niemand denkt aan een mogelijke uitbarsting van de Vesuvius, maar Plinius en Attilius weten dat er wat gaat gebeuren. De wijn in het glas vertoont rimpelingen, en dat kan op een aardbeving wijzen Plinius merkt het op en gaat na of dit verschijnsel zich herhaalt en of het in kracht toeneemt. Attilius zal met een boot naar Pompeii gaan. Wanneer Plinius wordt gevraagd hulp te bieden, gaat hij ook mee. Op zee, in het oorlogsschip Minerva, zijn ze genoodzaakt het dek te verlaten. Het regent stenen van de vulkaan. Benedendeks stinkt het naar het zweet van de 200 soldaten. Zo nu en dan is er een kreet in een onherkenbare taal. Naast Attilius klaagt iemand herhaaldelijk dat dit het einde van de wereld is en dat is ook wat hij zelf denkt. ‘Er vond een omkering plaats van de natuur, zodat zij bezig waren te verdrinken onder rotsblokken in het midden van de zee, meegesleept in het holst van de nacht terwijl het midden op de dag was’.

Harris vertelt dat de neef van Plinius eveneens vertoefde in de villa te Misenum. Dat was in werkelijkheid ook zo. Plinius de Jongere (62-ca 113) heeft op verzoek van Tacitus de dood van zijn oom beschreven. Harris heeft deze bewaard gebleven brief geraadpleegd. In de roman gaat de neef niet met zijn oom mee, omdat hij als zeventienjarige de taak heeft nog een boek te moeten lezen. In de brief vertelt neef dat ook; lezend bleef hij met zijn moeder in de villa achter. In de brief aan Tacitus loofde hij de moed en koelbloedigheid van zijn oom, die omkwam toen hij van nabij het natuurverschijnsel van de vulkaanuitbarsting wilde waarnemen, nadat hij eerst mensen te hulp was gesneld. In de angst en verwarring was hij een voorbeeld van kalmte. Twee dagen na de ramp trof men zijn dode lichaam aan met serene gelaatstrekken. Het was alsof hij niet dood was, maar rustig sliep, schreef zijn neef.

Via Attilius komen we van alles en nog wat te weten over de waterwerken, maar ook dat is spannend, en worden we getuigen van het leven van rijken en slaven in Pompeii, zien we de beelden van goden en godinnen en komen we in de hoerenbuurten.

Attilius komt vlak bij de Vesuvius en daar komt Corax die hem naar het leven staat, vast te zitten in de lava. Hij komt er niet meer uit. Veel ontdekt Attilius. Pompeii heeft geen watergebrek, omdat het water illegaal wordt afgetapt en zijn voorganger is vermoord.

En dan is er Corelia, de dochter van Ampliatus, de gewezen slaaf die rijk en slecht werd. Zij doet hem denken aan zijn vrouw, gestorven bij de geboorte van hun kind. Hij redt haar. In alle ellende ontluikt er iets moois. Men zegt dat na de uitbarsting een jonge man met een jonge vrouw uit de grond (een tunnel) te voorschijn zijn gekomen! Dat wordt aan het einde van de roman vermeld.

Vergankelijkheid

Toen ik deze roman begon te lezen dacht ik: Misschien kom ik nog wel een christen tegen. Dat had gekund. In het jaar 79 waren er al christenen in het gebied om de Middellandse Zee doorgedrongen. Er zijn evenwel geen christenen in de roman. Wel veel religie, maar ook zijn er mensen die niet geloven in de goden en godinnen. Attilius houdt zich niet bezig met de religie. Hij heeft het te druk. Er zijn hem te veel goden en godinnen. Ook hier is Attilius de geestverwant van Plinius, die zich niet bemoeit met de godsdienst. Voor Plinius is God de mens die een andere mens helpt. De godsdienst blijkt vergankelijk te zijn. De aandacht voor de goden gaat tanen.

Plinius de Jongere schreef niet alleen een brief aan Tacitus over de dood van zijn oom. Op aandringen van Tacitus schreef hij ook een brief over zijn eigen bevindingen tijdens de uitbarsting. Hij vertelt hoe hij en zijn moeder vluchtten en zij onder een menigte vluchtelingen terecht kwamen. ‘Sommigen hadden zo’n angst voor de dood dat zij baden om te sterven. Velen hieven de handen naar de goden, maar nog meer geloofden dat er geen goden meer waren en dat er een oneindige nacht over de wereld was gekomen.’

Later, in het jaar 112, schreef Plinius de Jongere over de behandeling van de christenen. Hij was toen gouverneur van Bithynië, een provincie aan de grens van het Romeinse rijk. Aan keizer Trajanus vroeg hij advies, want hij wist niet wat hij met de christenen aan moest. Hij schreef dat hij overal waar hij kwam, in steden en dorpen, christenen aantrof. ‘Zij waren gewoon op een bepaalde dag (de zondag) een samenkomst te hebben vóór het licht werd, waarbij zij lofzangen aanhieven voor Christus, als ware hij God…’ In een van de oudste heidense berichten worden de christenen zingend aangetroffen!

In een gesprek over zijn roman zei Harris dat hem ‘het stoïcijnse interregnum’ intrigeerde dat kwam tussen het verval van de traditionele vroomheid en de opkomst van het christendom, ‘that brave and naked age’ toen – om Flaubert te citeren – ‘de oude goden waren gestorven en Christus nog moest komen’. Hij was al wel gekomen, maar Hij moest nog komen in de prediking van het evangelie aan de mensen.

Harris zei ook dat zijn roman een parabel was op de vergankelijkheid van wereldrijken. Wat in Pompeii gebeurde was symptomatisch voor de ondergang van een imperium dat zich voor onoverwinnelijk hield. ‘Ik zou met mijn boek eraan willen herinneren dat alle machten, ook de grootmachten, kwetsbaar zijn. En in deze zin is Pompeii een symbool voor het blinde geloof aan eigen onkwetsbaarheid, terwijl men zwelgt in luxe.’

Pompeii is een spannend boek. Men kan het een thriller noemen. Het is ook een heel geslaagde historische roman. En het is het boeiend verhalend verslag van een kolossale ramp, maar ook het verhaal van goed versus kwaad, van de mens versus de natuur. En ook vindt een onderzoek plaats naar de menselijke geaardheid. Historische feiten worden als handelingen opgenomen en spelen hun rol in de verbeelding van de roman.

Een recensent vond de roman zo boeiend dat hij zo nu en dan de romanfiguren wilde toeschreeuwen: ‘Get the hell out of there! Forget the aqueduct! Run for your lives! It’s going to blow!’

De romans van Robert Harris zijn in dertig talen vertaald. Dit jaar verscheen een Nederlandse vertaling van Pompeii bij uitgeverij De Boekerij te Amsterdam.

M.G.L. den Boer