Zij niet zonder ons. Overwegingen bij Hebreeën 11, 40

logoIdW

 

ZIJ NIET ZONDER ONS. Overwegingen bij Hebreeën 11, 40

voor het dak was riet gekapt

op de vergeten stoppels

valt zachte sneeuw

Basho

Herdenken

is een beweging terug in de tijd: je brengt je te binnen hoe het was; in die geest bezoek je een graf om vervolgens met je herinneringen weer terug te keren in het leven. Gedenken komt uit de synagoge, de liturgie van Pesach. Niet de weg terug naar vroeger maar terug naar de weg, de woorden van Mozes, de Thora als oriëntatie op de toekomst: niet je voorouders maar jij wordt bevrijd uit het Angstland.

Mooi maar hoog gegrepen, sleets geworden voorstellingen. Gek genoeg zijn de oude beelden buiten de kerk het meest hardnekkig. Dáár straft God nog onmiddellijk en weten mensen zich vanaf een wolk gadegeslagen door overleden BN’ers. Onderweg naar het kerkhof, meestal in de eerste volgauto, viel me vroeger vaak op dat mensen elkaar opwekten om ‘niet te huilen want opa en oma zijn nu weer samen en ze hebben het beter dan wij’. Zoethout dat de pijn van de dood niet serieus neemt en het rouwen in de weg staat, reden waarom ik vaak in stilte dacht: ‘Ja hoor, de bridgeclub daarboven is weer compleet.’ Uit die tijd stamt ook het ironische woord ‘hiernanogmaals’.

Het is goed om die voorstellingen op te ruimen. Een volwassen geloof heeft de lege kinderkamer achter zich gelaten en weet zich in goed gezelschap, want de meeste Bijbelheiligen hebben geen enkele notie van een leven aan gene zijde van de dood. Natuurlijk, er is de onderwereld, waarin de gestorvenen als schimmen rondwaren, maar de psalmdichter weigert om het leven te noemen: de lofzang zwijgt, de doden weten van niets en worden vergeten. En in het visioen van Ezechiël wordt wel gevraagd of de dorre beenderen kunnen herleven, maar dan gaat het toch vooral om thuiskomt uit de ballingschap, kortom: de vraag of er leven is vóór de dood, zoals je kunt opstaan uit een sociaal isolement of een depressie.

Maar van de dagen onzer jaren geldt: zeventig, als we heel sterk zijn tachtig en het einde is moeite en verdriet. In de roman Niemand is onsterfelijk [1962] heeft Simone de Beauvoir overtuigend laten zien waarom eeuwig leven geen pretje is. Wie alle tijd heeft, weet niet wat liefde of engagement is – gaat niet echt voor iemand, kan zijn bestaan niet op het spel zetten. Indertijd was de roman omstreden, terwijl we er nu eerder de invloed van het Bijbelse mensbeeld aan aflezen: kwetsbaar en eindig.1

Ook als de lucht wat gezuiverd is, blijft de vraag: Waar zijn onze doden? We oriënteren ons aan het slot van Hebreeën 11: opdat zij niet zonder ons. Zij en wij, zoveel is zeker, dat beide sleutelwoorden scharnieren rond de aanhef van deze brief: nadat God eerst op velerlei wijze gesproken heeft in de Thora van Mozes, Jozefs tranen, de wijze Salomo, de woede van profeten, de allochtone Ruth, de verliefde Sulamith of de rebelse Esther, zó heeft de Vader zich uiteindelijk laten kennen in de zoon: geen twijfel mogelijk, je hoeft niet te vragen van wie dat er een is!

Zij en wij

verhouden zich als verwachting en herinnering, en het draait in die twee om ‘het midden’, het leven van Jezus. Inmiddels leven wij alweer even lang na Jezus als Abraham daarvoor. En op onze beurt nemen we die 2000 jaar geschiedenis en ervaring mee als we de tekst lezen. Daarbij kunnen we de verscheurende dieren en martelingen napluizen in apocriefe en nabijbelse boeken maar interpretatie is een nooit eindigend proces, reden waarom de betekenis nooit voorgoed vast staat. Dus als wij lezen van gijzeling en steniging zien we journaalbeelden. Bij mensen in schapenvachten, die in spelonken wonen denk ik aan Bin Laden en de Taliban, ook zij oriënteren zich hoe verknipt en beschadigd ook aan Abraham.

Hoe dan ook: ‘niemand heeft het beloofde gezien omdat de Eeuwige met ons iets beters voorhad zodat zij niet zonder ons tot de volmaaktheid zouden komen.’ Dat laatste is de messias, zijn rijk, deze wereld anders, het wenkend perspectief: ‘… en het eigenlijke, klaagt Miskotte, ‘het eigenlijke komt er niet uit’. 2 In die impasse gedenken we onze doden. Václav Havel, de Tsjechische president liep voor dit ambt stage als dissident in de gevangenis. In een van zijn brieven aan Olga lezen we: ‘…is de dood een weggaan uit het zijn naar het niet-zijn of uit het zijn naar het niets? Ik kwam telkens weer terug op het idee [van de filosoof Emmanuël Levinas] dat wat gebeurd is, niet ongedaan gemaakt kan worden; wat is geweest blijft, zelfs als iedereen het is vergeten, voor altijd gegrift in het geheugen van het Zijn.’3 Jouw leven: een kras in het zijn! Van Ruler zei al: Er geweest zijn is ook een vorm van zijn.

Toen mijn vader stierf wilde ik niet opnieuw buitenbeen zijn. Zo was het toen ik in de kerk een wat andere weg ging. Bij zijn dood dreigde een nieuwe uitsluiting: nu als vader. Om dat te voorkomen wilde ik op kaart en graf geen versleten hemelbeelden. Naarstig zocht ik in die rare nacht naar woorden met de nodige ruimte voor: geen uit- maar ontsluiting, een omarming, een accolade in taal. Op het nippertje viel het me in: Levend in het werk des Heren. Dat was zijn lust en leven, ziel en zaligheid, en voor zover we ons bij die werken des Heren iets voor kunnen stellen, lééft hij daarin nog. Zelf denk ik daarbij aan het gedicht Ichthus van Ida Gerhardt. Het Griekse woord voor vis, het monogram van messias Jezus. Een kind dat tekent in het zand:

De vis, getrokken door mijn hand

en even vrij nog van de golven,

zal straks gewist zijn van het strand

en door de grote vloed bedolven.


Dit ons leven, je biografie in een paar rake lijnen, voor je ’t weet is het voorbij:

Maar in het water, dat hem nam

zwemt levende het Monogram.


We kennen dat allemaal: een tekening die door het water wordt gewist en dan een beetje onwennig nog wegzwemt, ontzwemt.4 Dood maakt het leven niet ongedaan. De kras in het zijn krijgt vleugels.

Geheime trek van tij en maan:

Hij zal op alle kusten staan.

5

Hij op alle kusten, dat is Jezus als oerbeeld van humaniteit; Adam eindelijk mens, ‘wij en alles samen’ in die grote vis. Mensen al eeuwen uit de tijd, tot stof vergaan, as van joden aan je schoenen, hun liefde hoop en teleurstelling, hun genen, hun dna onderweg naar morgen zoals Israël met de beenderen van Jozef sjouwde door het hete woestijnzand.

Brood en wijn: gedachtenis niet zonder pijn. Daar is die naar gene zijde reikende ervaring weer: in het teken komt de Betekende aanwezig. De Leuvense filosoof Moyaert heeft aan het laatste peukje van zijn overleden vader in een la van zijn bureau genoeg. Ook een foto of kunstwerk kunnen symbolisch geladen worden. Anderen ontdekten na de dood van een geliefde dat de pijnlijke leegte in bed verandert als je op die plek gaat liggen: die plek houdt hem/haar in leven, de dode is aangewezen op die lege plek.6

Doden zijn tijdrovend, ze vergen veel van de achterblijvers: zij niet zonder ons, dat wil zeggen: wij denken hen levend, zoals het sacrament – en alles wat gering en zwak is – op ons is aangewezen. Mensen die de ontferming leven, instaan voor de presentie van de Eeuwige: want zo dikwijls gij dit deze minsten der mensen gedaan hebt, hebt gij het mij gedaan.

Vroeger had ik het land aan de acrobatische toeren van fotografen tijdens huwelijksdiensten. Ik probeerde ze tot terughoudendheid te bewegen door op te merken dat het eigenlijke van het ja-woord, de bezegeling der liefde, per definitie niet te fotograferen valt. Niet op de gevoelige plaat, wel ergens anders: in ons hoofd, even werkelijk als het wit van de poëzie, de gevulde stilte van het gebed, de voorstelling van het laatste oordeel – niets hiervan kunnen we zien [Hebr 11,1] maar het richt wel ons denken en doen.7

Hetzelfde nog eenmaal anders in woorden van de dichter K. Michel.8

Toen ik vanmorgen in een koffiehuis zat te lezen [in Walcotts epos Omeros] kwam er een vrouw die aan een tafeltje naast mij ging zitten. De zon scheen, het licht zweefde door de ruimte, kalm en sereen. Je kon de stofdeeltjes zien walsen.

Ik hoorde vaag dat ze iets bestelde, maar lette niet op haar, verdiept als ik was in het boek.

De bestelling werd gebracht. Daar schrok ik van op. Voor haar werden een kopje koffie en een glaasje sinas neergezet. Toen de serveerster weg was, schoof ze het glaasje sinas langzaam naar voren terwijl ze iets vertelde tegen de persoon tegenover haar. Wat ze zei kon ik niet verstaan. Vreemd! Ze nam een slokje van haar koffie en praatte verder. Af en toe maakte ze een licht aanmoedigend gebaar; zo van ‘drink nou, is lekker’.

Het bizarre was dat er helemaal niemand tegenover haar zat.

Ik bleef naar mijn boek turen, maar volgde vanuit mijn ooghoeken wat zich aan haar tafeltje afspeelde. Hoorde ze stemmen?

Ik weet het niet. Ze was niet opvallend gekleed en haar uiterlijk was verzorgd. Niet iemand die aan lager wal was geraakt.

Was ze onder invloed?

De blik in haar ogen was tamelijk ernstig maar niet troebel. Er ging zelfs een bepaalde rust van haar uit.

Zou ze gek zijn, dacht ik, wie praat er nou tegen een lege stoel? Ze zag er echter te serieus en verzorgd uit.

Ze zat daar in het zachte ochtendlicht, ze dronk van haar koffie, ze converseerde.

En gaandeweg begon ook in mijn beleving de afwezige steeds sterker aanwezig te worden. En werd haar gedrag steeds normaler, ja, bijna vanzelfsprekend.

Henk Abma

Auteur is emeritus predikant (PKN)

1 Vgl K.H. Miskotte, Uit de dagboeken 1917-1930, Kampen, 1985, p46: ‘En hoe vreemd , zeiden wij, dat wat onze christenen 50, 30 jaar geleden ongeloof noemden, òns nu vanzelfsprekend christus-lijk blijkt te wezen.’

2 Ondanks het diagonaal herlezen van VW 4, 5a en 5b Uit de dagboeken [1917-1937] kon ik deze uitspraak niet terugvinden, – met als neveneffect de andere verwijzingen: gevonden zonder ernaar te zoeken.

3 Václav Havel, in zijn voorwoord bij: France Guwy, De ander in ons, Emmanuel Levinas in gesprek, 2008. Zie ook: Václav Havel, Briefe an Olga, Identität und Existenz, Betrachtungen aus dem Gefängnis, Hamburg 1984, 171, 175, 181, 207, 243, 245, 256, 308

4 Alles ist aus dem Wasser entsprungen! /Alles wird durch das Wasser erhalten! Thales,  Faust II, 2. Teil, 2. Akt

5 Ida Gerhardt, uit: Het levend Monogram, VG, 1985, 272. Vgl bij r 7 en 8, K.H. Miskotte: Uit de dagboeken 1935-1937, VW dl 5b : Wij kunnen Jezus in onze praktijk niet gebruiken; en ondertussen is Hij de oorzaak van haar hoogten en diepten, zoals de maan eb en vloed trekt in de zee, die met haar beeld schijnt te spelen.

6 Paul Moyaert, De mateloosheid van het christendom, 2005, – dit boek opent met het peukje dat ‘in mijn plaats aan mijn vader denkt’, vgl Iconen en beeldverering, godsdienst als symbolische praktijk, 2007.

7 Ludwig Wittgenstein, Denkbewegingen, 1999, p99

8 K. Michel, In een handpalm, Amsterdam, 2008 p14 e.v.